Wereld gezondheid Organisatie fijnstof onderschat

who-logo-enInleiding
———————————————————
In deze publicatie van de regionale afdeling Europa van de WHO, wordt antwoord gegeven op 24 vragen die alle betrekking hebben op luchtvervuiling.
De bedoeling is maatregelen te creëren voor de met luchtvervuiling samenhangende gezondheidsaspecten.
Een grote groep deskundigen heeft aan dit project “Review of evidence on health aspects of air pollution” ofwel afgekort ”REVIHAAP” meegewerkt om een antwoord op deze 24 gestelde vragen te krijgen.
Zij hebben over uit recentelijk verschenen onderzoek – betrekking hebbend op luchtvervuiling en nadelige gezondheidseffecten- verkregen gegevens discussie gevoerd en die tevens geëvalueerd.
Bij de beantwoording zijn uitgebreide verklaringen gegeven, met inbegrip van een referentielijst.
Met de evaluatie wordt geconcludeerd dat in de afgelopen jaren een aanzienlijke hoeveelheid nieuwe informatie is gepubliceerd over fijn stof, ozon en stikstof.
Dit nieuw vergaard bewijs ondersteunt de wetenschappelijke conclusies van de WHO Air Quality Guidelines 2005. Het indiceert dat in sommige gevallen effecten van luchtvervuiling bij lagere concentraties voorkomen dan die bij de vaststelling van de richtlijnen zijn gehanteerd.
Daarmee worden wetenschappelijke argumenten verschaft om in Europa maatregelen te nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en de met luchtvervuiling samenhangende nadelige gezondheidseffecten te verminderen.

De vragen en antwoorden A1 t/m A6, te vinden op pagina 6 t/m 41 gaan over de gezondheidseffecten van fijn stof.

A1
Vraag:
Welk nieuw bewijs ten aanzien van gezondheidseffecten is er sinds de publicatie van het WHO rapport in 2006 verschenen, meer in het bijzonder over fijn stof PM 2,5?
Is er gezien deze nieuwe bevindingen, herziening van de wetenschappelijke conclusies van het uit 2005 stammend rapport nodig?

Antwoord:
Sinds de verschijning van het WHO rapport in 2005 zijn er veel nieuwe onderzoeken verschenen naar zowel korte als lange termijn effecten van blootstelling aan PM 2,5.
Deze onderzoeken geven op aanmerkelijke wijze steun aan de wetenschappelijke conclusies van de richtlijnen van 2005 en geven aanleiding te constateren dat er nog meer aandoeningen geassocieerd kunnen worden met PM 2,5.

Tot de belangrijkste conclusies behoren:

1.
Aanvullend bewijs voor de effecten van de korte termijn blootstelling aan PM 2,5 op sterfte en ziekte, gebaseerd op verschillende en in diverse steden verricht epidemiologisch onderzoek.

2.
Aanvullend bewijs voor de effecten van lange termijn blootstelling aan PM 2,5 op sterfte en ziekte, gebaseerd op grote cohort studies in Europa en Noord Amerika.

3.
Met een gezaghebbende evaluatie, verricht door cardiologen, epidemiologen, toxicologen en andere experts op het gebied van volksgezondheid, is geconcludeerd dat lange termijn blootstelling aan PM 2,5 een oorzaak is van zowel cardiovasculaire sterfte alsmede andere aandoeningen.

4.
Beduidend meer inzicht is verkregen in de fysiologische effecten en verklarende biologische mechanismen die korte en lange termijn blootstelling aan PM 2,5 relateren aan sterfte en aandoeningen, zoals waargenomen in epidemiologische, klinische en toxocologische studies.

5.
Aanvullend onderzoek dat lange termijn blootstelling relateert aan verschillende nieuwe gezondheidseffecten, waaronder atherosclerose, onvoldragen zwangerschappen en aandoeningen van luchtwegen van kinderen.

6.
Zich aandienend bewijs dat ook een mogelijke relatie legt tussen lange termijn blootstelling aan PM 2,5 en de ontwikkeling van zenuwstelsel en cognitieve functies, alsook andere chronische aandoeningen, zoals diabetes.

De wetenschappelijke conclusies van de “WHO 2005 global update” van de Air Quality Guidelines voor bewijs van oorzakelijk verband tussen PM 2,5 en negatieve gezondheidseffecten op mensen zijn bevestigd en de aanwijzingen zijn sterker en blijven dus duidelijk van kracht.
Nu het bewijs voor de relatie tussen PM en zowel korte als lange termijn gezondheidseffecten veel groter en ook breder is geworden, is het van belang geworden om de thans geldende WHO richtlijnen aan te passen.
Dit is essentieel nu lange termijn onderzoeken relaties aangeven tussen PM en sterfte, en wel op veel lagere niveaus dan die door de WHO in 2005 voor PM 2,5 in haar richtlijnen is gegeven, namelijk
10 ug/m3.
A 2
Vraag:
Welk nieuw bewijs is beschikbaar ten aanzien van andere fijn stof fracties, zoals de kleinere ultrafijne deeltjes, black carbon (roetdeeltjes), chemische bestanddelen (metalen, organische en anorganische stoffen, natuurlijke stofdeeltjes, primair of secundair) of afkomstig uit andere bronnen (verkeer, inclusief – niet van uitlaten afkomstige- emissies, industrie, afvalverwerking) of blootstellingsduur (bijvoorbeeld individuele of herhaalde korte tijden van zeer hoge intensiteit, 1 uur, 24 uur, jaarlijks).

Antwoord:
A. Fracties van PM, anders dan PM 2,5 of PM 10:

1.
In de WHO Air Quality Guidelines is gesignaleerd dat, hoewel er weinig aanwijzing was dat één enkel bestanddeel van PM verantwoordelijk was voor de negatieve gezondheidseffecten, toxicologische onderzoeken suggereerden dat gebruik van fossiele brandstof en biomassa verbrandingsprocessen een belangrijke bijdrage kunnen vormen aan ongewenste gezondheidseffecten.
Sedertdien is er verdere informatie beschikbaar gekomen, ter verdere ondersteuning van deze eerdere conclusies.
Epidemiologische en toxicologische onderzoeken hebben laten zien dat PM massa (PM 2,5 en PM 10) bestaat uit fracties met heel verschillende uitwerking op gezondheid.
Dat gegeven veronderstelt zowel een rol voor de chemische componenten (zoals metaalverbindingen en door verbranding ontstane primaire en secundaire organische deeltjes) en de fysieke bestanddelen (afmeting, aantal deeltjes en oppervlakte):

2.
Drie belangrijke componenten of metrische bestanddelen – black carbon (roetdeeltjes), secundaire organische aerosolen en secundaire anorganische aerosolen – hebben in onderzoek naar gezondheid bij blootstelling daaraan een beduidend effect.
Ze verschaffen ieder waardevolle gegevens over de effecten van mengsels van vervuilende stoffen afkomstig uit verschillende bronnen.

a.
Nieuw bewijs relateert black carbon aan cardiovasculaire gezondheidseffecten en voortijdige sterfte, voor zowel korte termijn (24 uur) als lange termijn (jaarlijkse) blootstelling.
In onderzoek waarbij black carbon en PM 2,5 tegelijk in beschouwing wordt genomen, waren de aanwijzingen voor black carbon het meest duidelijk.
Zelfs als black carbon niet de gidsstof is, dan nog is dat een waardevolle extra maatstaf voor het evalueren van de gezondheidsrisico’s van primaire verbrandingsdeeltjes van verkeer, inclusief organische deeltjes, die niet volledig begrepen zijn in de PM 2,5 fractie.

b.
Er is nieuw toxocologisch bewijs gepresenteerd voor een oorzakelijk verband voor een organisch secundaire aerosolen zoals ammonium, sulfaten en nitraten.
Epidemiologische onderzoeken blijven regelmatig relaties signaleren tussen sulfaten of nitraten op de menselijke gezondheid.
Noch de rol van kationen (bijvoorbeeld ammonium), noch de interactie met metalen of geabsorbeerde bestanddelen (bijvoorbeeld organische deeltjes) zijn goed onderzocht in epidemiologische onderzoeken (zie antwoord C8).
Zelfs wanneer secundaire anorganische deeltjes (in het bijzonder sulfaat deeltjes) niet de gidsstof zijn, dan nog zijn ze een waardevolle toevoeging als maatstaf voor het evalueren van gezondheidsrisico’s.

c.
Er is een groeiende hoeveelheid informatie over de associatie van organisch koolstof met gezondheidseffecten en koolstof houdende primaire emissies leveren een belangrijke bijdrage aan het vormen van secundaire organische aerosolen (een belangrijk bestanddeel van de PM 2,5 fractie).
De aanwijzingen zijn onvoldoende om onderscheid te kunnen maken tussen de toxiciteit van primaire en secundaire aerosolen.

3.
Nieuwe bevindingen suggereren dat korte termijn blootstelling aan grove fijn stof deeltjes (met inbegrip van natuurlijk materiaal) geassocieerd worden met negatieve effecten op ademhaling, hart en bloedvaten en voortijdige sterfte.
De gegevens van klinisch onderzoek zijn schaars; toxicologische onderzoeken laten zien dat grove fijn stof deeltjes even toxisch kunnen zijn als PM 2,5 op basis van volume.
Het verschil in risico tussen grove en fijne deeltjes kan, althans ten dele, worden verklaard door verschillen in opname en verschillende biologische mechanismen.

4.
Er is toenemend, maar tot nu toe beperkt epidemiologisch bewijs voor de relatie tussen korte termijn blootstelling aan ultrafijne deeltjes (kleiner dan 0,1 um) en hart- en ademhalingfunctie en ook die van het centrale zenuwstelsel.
Klinische en toxicologische onderzoeken hebben laten zien dat ultra fijn stof zich (ten dele) op andere wijze gedraagt dan de grotere deeltjes, die in massa gerelateerde meetstandaarden, zoals PM 2,5 of PM 10, voorkomen.

B.
Type bronnen.
Verschillende bronnen van luchtvervuiling worden geassocieerd met uiteenlopende gezondheidseffecten.
Het meeste bewijs is vergaard voor negatieve effecten op gezondheid voor roetdeeltjes van verkeer. (zie ook vraag C1).
Een beperkter aantal onderzoeken laten zien dat door verkeer gegenereerd fijn stof, met inbegrip van hetgeen afkomstig is van slijtage van wegen, remmen en banden, ook bijdraagt aan nadelige gezondheidseffecten.

1.
Verbranding van kolen resulteert in sulfaat houdende fijn stof, waarvan uit epidemiologisch onderzoek een sterk bewijs bestaat voor nadelige effecten op gezondheid.
2.
Fijn stof genererende bronnen, zoals scheepvaart (oliestook), energieopwekking (olie- en kolenstook) en de metaalindustrie (nikkel), dragen daaraan eveneens bij.
3.
Blootstelling aan verbranding van biomassa – in het bijzonder verwarming door middel van hout verbranding – kan niet alleen worden geassocieerd met luchtweg aandoeningen maar ook met cardiovasculaire aandoeningen.

4.
Blootstelling aan woestijnzand gedurende bepaalde perioden, is in verband gebracht met ziekenhuisopname als gevolg van cardiovasculaire problemen en met sterfte in een aantal recente epidemiologische onderzoeken.

C.
Blootstelling – bijvoorbeeld, incidentele of herhaalde korte perioden met een hoge intensiteit, 1 uur, 24 uur, jaarlijks.

1.
Uit epidemiologische onderzoeken blijkt verder dat lange termijn blootstelling (jaren) aan PM 2,5 wordt geassocieerd met zowel sterfte als ziekte.
Het bewijs is zwakker voor PM 10 en er zijn nauwelijks lange termijn onderzoeken naar van nature voorkomend fijn stof.
2.
Er zijn ook sterke aanwijzingen uit epidemiologische onderzoeken dat dagelijkse (24 uur) blootstelling aan PM geassocieerd moet worden met zowel sterfte en ziekte direct na die blootstelling, maar ook in de daaraan volgende dagen.
Herhaalde (verscheidene dagen) blootstelling kan ernstiger gezondheidseffecten hebben dan die van enkele dagen.
3.
Terwijl acute en lange termijn effecten ten dele met elkaar verband houden, zijn lange termijn effecten niet de optelsom van alle korte termijn effecten.
De effecten van lange termijn blootstelling zijn veel groter dan die bij korte termijn blootstelling worden waargenomen, waarmee het lijkt dat effecten niet slechts het gevolg zijn van aanvallen, maar die verband kunnen houden met voortschrijding van onderliggende aandoeningen.
4.
Er zijn duidelijke aanwijzingen uit toxicologische en klinische studies over de effecten van fijn stof afkomstig van verbranding, dat korte termijn blootstelling (van minder dan een uur tot enkele uren) tot onmiddellijke psychologische veranderingen leiden; dit wordt ook door epidemiologisch onderzoek ondersteund.

A3
Vraag:
De Europese wetgeving kent momenteel één enkele grenswaarde voor PM 2,5, die is gebaseerd op een jaargemiddelde.
Is er, gelet op de huidige stand van zaken ten aanzien van gezondheid, noodzaak voor aanvullende grenzen (of doelstellingen) voor de bescherming van gezondheid in relatie tot blootstelling gedurende kortere perioden?

Antwoord:
Sinds de “global update” van de WHO Air Quality Guidelines (WHO Regional Office for Europe 2006), toen een 24 uurs richtlijn voor PM 2,5 van 25 ug/m3 is vastgesteld, is het bewijs voor relaties tussen 24 uur gemiddelde blootstelling aan PM 2,5 en nadelige effecten op gezondheid significant toegenomen.
Daarmee is er meer draagkracht gekomen voor het vaststellen van 24 uur grenswaarden, zoals in de WHO 2005 global update.
Op zichzelf staande en in verschillende steden uitgevoerde onderzoeken in de Verenigde Staten maken melding van relaties tussen 24 uur gemiddelde blootstelling aan PM 2,5 enerzijds en sterfte en ziekenhuisopnamen anderzijds als gevolg van hart- en ademhalingsklachten.
Omdat PM 2,5 tot voor kort in Europa niet werd geregistreerd, is het bewijs in Europa meer beperkt; maar er zijn onderzoeken, de resultaten zijn echter minder consistent.

Bij wetgevende maatregelen moet het volgende in aanmerking worden genomen:
1.
Hoewel korte termijn effecten bijdragen aan chronische gezondheidsklachten, zijn zij die door korte termijn blootstelling worden getroffen niet noodzakelijkerwijs dezelfde als zij die lijden aan de gevolgen van lange termijn blootstelling.
2.
Niet alle biologische mechanismen die relevant zijn voor acute effecten, zijn ook per definitie relevant voor lange termijn effecten en vice versa.
3.
Gedurende perioden met hoge PM 2,5 concentraties, kunnen voor gezondheid van belang zijnde maatregelen worden genomen door burgers, publieke autoriteiten en andere instellingen.
4.
Gebieden met een relatief gematigde lange termijn gemiddelde concentratie PM 2,5 kunnen niettemin perioden met een aanzienlijk hoge concentratie hebben.

In het licht van het bovenstaande is er wetenschappelijk ondersteunend bewijs voor gezondheidseffecten en bestaat de noodzaak om maatregelen te treffen voor zowel korte termijn gemiddelden (zoals 24 uur gemiddelden) als jaargemiddelden.

A4
Vraag:
Is er aan gezondheid gerelateerd bewijs dat pleit voor een onafhankelijke grenswaarde voor PM 10 (parallel aan een jaargemiddelde voor PM 2,5 en verschillende limieten voor bescherming van korte termijn en lange termijn blootstelling aan PM 2,5)?
Antwoord:
Er is een aanzienlijke hoeveelheid wetenschappelijke literatuur over korte en lange termijn gezondheidseffecten bij blootstelling aan PM 10 bij concentraties beneden de huidige Europese grenswaarden. De volgende argumenten maken duidelijk dat PM 10 niet zo maar een proxy maat is voor PM 2,5.

1.
Zoals bij vraag A2 beschouwd is, bestaat in toenemende mate bewijs voor nadelige effecten op gezondheid van grof fijn stof.
Korte termijn effecten op gezondheid van grove fijn stof deeltjes zijn afzonderlijk van de fijnere deeltjes, zoals PM 2,5, geobserveerd.
2.
In nieuwe Europese onderzoeken is er toenemend bewijs voor een relatie tussen lange termijn blootstelling aan PM 10 en gezondheid – in het bijzonder de ademhaling – en voor een positief effect van reductie in lange termijn concentratie van PM 10 niveaus tot niveaus ver beneden de huidige EU grenswaarde voor PM 10.
3.
Grove en fijne deeltjes komen op verschillende plaatsen in de luchtwegen terecht, ze zijn afkomstig uit verschillende bronnen en ze zijn verschillend van samenstelling, ze werken volgens gedeeltelijk verschillende biologische mechanismen en ze resulteren in verschillende effecten op gezondheid.

Daarom bestaat er goed reden om, onafhankelijk voor korte en lange termijn grenswaarden voor PM 10, aanvullende grenswaarden voor PM 2,5 te stellen om bescherming te bieden voor blootstelling aan zowel grove als fijne deeltjes.

A5
Vraag:
Europese wetgeving heeft een grenswaarde voor concentratie en een blootstellingsreductie doelstelling voor PM 2,5. Om te kunnen beslissen over de effectiviteit van gezondheid beschermende maatregelen, met name of het doeltreffender is om blootstellingsreductie doelstellingen te creëren dan wel grens- of richtwaarden, is het belangrijk om de vorm van concentratie-respons functies te begrijpen (naast andere zaken, zoals blootstelling, kosten/baten, technische haalbaarheid).
Wat is het laatste bewijs over drempels en lineariteit voor PM 2,5?

Antwoord:
Het al of niet bestaan van een drempel en lineariteit van de relatie tussen blootstelling aan PM 2,5 en gezondheidseffecten, is onderwerp van verschillende onderzoeken geweest die sedert 2005 zijn gepubliceerd.
Onderzoeken naar korte termijn effecten bieden de beste mogelijkheid om een inschatting te maken.
Bij onderzoeken naar lange termijn blootstelling ziet men zich geplaatst voor grotere methodologische uitdagingen om tot een volledige beoordeling van drempels en lineariteit te kunnen komen.

. Drempels
Voor wat betreft korte termijn blootstelling is er een substantieel bewijs voor relaties tot op zeer lage PM 2,5 niveaus. De beschikbare gegevens suggereren dat een drempel, waar beneden niemand schade ondervindt, ontbreekt.
Ook lange termijn onderzoeken wijzen uit dat er geen drempel bestaat.

. Lineariteit
De Europese onderzoeken naar korte termijn blootstelling, waarbij uitvoerig is gekeken naar concentratie-respons functies, laten geen significante lineaire afwijkingen zien van in de omgeving aanwezige niveaus van PM 2,5.
Bij enkele lange termijn onderzoeken is gekeken naar de samenstelling van concentratie-respons functies.
Er zijn echter aanwijzingen voor een sterkere blootstelling-respons relatie op lagere niveaus (supra lineair) uit analyses van onderzoeken van verschillende gebieden van de wereld en met verschillende reikwijdten en bronnen van blootstelling.

Bij afwezigheid van een drempel en in het licht van lineaire of supra lineaire risico functies, zal de volksgezondheid gediend zijn met elke reductie in PM 2,5 concentraties, ongeacht of de huidige niveaus boven of beneden de grenswaarden zijn.

A6
Vraag:
Uitgaande van de momenteel beschikbare bewijzen, welke PM meetgetallen, gezondheidseffecten en concentratie-respons functies, kunnen er gebruikt worden voor beoordeling van impact op gezondheid?

Antwoord:
Het uit onderzoek verkregen bewijs ondersteunt kwantificering van de effecten van verschillende PM meetgetallen en zowel korte als lange termijn blootstelling (zie vragen A1, A3 en A4).
Er bestaat een grote hoeveelheid bewijs, uit cohort onderzoeken in het bijzonder, dat steun geeft aan kwantificering van de effecten van lange termijn blootstelling aan PM 2,5, zowel betreffende mortaliteit (door welke oorzaak dan ook en cardiovasculair) en ziektelast.
Bovendien geven onderzoeken naar korte termijn blootstelling steun aan kwantificering van de acute effecten van PM 2,5 op verschillende ziekten.
Er zijn andere PM meetgetallen, waarvoor respons functies zijn gepubliceerd voor tenminste enkele gezondheidseffecten, met inbegrip van PM 10, de grovere fractie van PM 10, roetdeeltjes, sulfaten enz.
Het gebruik daarvan hangt samen met het doel van de inschatting van de impact op gezondheid.
Beoordelaars van impact op gezondheid kunnen roetdeeltjes als een primaire indicator voor aan verkeer gerelateerde fijn stof gebruiken en korte en lange termijn respons functies.
In vergelijk met PM 2,5 zijn er minder onderzoeken en/of gezondheidsgegevens beschikbaar voor roetdeeltjes en andere meetgetallen.
Risico inschattingen gebaseerd op PM 2,5 onderzoeken, zijn het meest omvattend.
Alternatieve meetgetallen, zoals roetdeeltjes (black carbon), kunnen gebruikt worden voor sensitiviteit analyses. Men dient in het oog te houden dat de impact die wordt ontleend aan PM meetgetallen, niet bij elkaar geteld kan worden, omdat de effecten en bronnen niet volledig onafhankelijk zijn.
Details van de inschattingen van gezondheidseffecten worden verder besproken in het HRAPIE project (Vraag D5).
We belichten alleen de volgende algemene punten:

. Er zijn vele recent gemaakte en gepubliceerde beoordelingen van gezondheidseffecten voor verschillende PM meetwaarden en tijdgemiddelden, die kunnen dienen als een basis voor kwantificering, met inbegrip van de recente update van het project wereldwijde ziektelast.
Deze beoordeling van gezondheidseffecten zijn ontleend aan epidemiologische onderzoeken in Europa en Noord Amerika.

. Bij het selecteren van paren voor vergelijking (PM 2,5 PM 10) voor beoordeling van gezondheidseffecten, dient de beschikbaarheid van gerelateerde gezondheidsdata in aanmerking te worden genomen bij het afgrenzen van de taxatie van gezondheidseffecten. Een gebrek aan data kan een beperkende factor zijn.

. Sterfte cijfers, die beschikbaar zijn voor natuurlijke dood zijn betrouwbaarder dan die gerelateerd aan een specifieke oorzaak. Anderzijds is luchtvervuiling niet met alle doodsoorzaken verbonden; dus oorzaak specifieke beoordelingen zijn beter te verdedigen.
In het licht van dergelijke methodologische conflicten, kunnen beide analyses worden uitgevoerd om de gevoeligheid te verklaren bij toepassing op de bevolking van Europa.

. Niet voor iedere lidstaat zijn mogelijk data van ziektelast beschikbaar en die moeten misschien worden geschat of worden afgeleid uit lokaal onderzoek of uit die van andere landen.

. Gezien de omvang van het bestaand bewijs en de onzekerheid die inherent is aan inschattingen van de gevolgen voor de volksgezondheid, die de kwetsbaarheid van resultaten (in verband met verschillende aannames) bekend te worden gemaakt.

D. Algemene vragen

D1
Vraag:
Welke nieuwe informatie uit epidemiologisch, toxocologisch en ander relevant onderzoek over gezondheidseffecten van luchtvervuiling is er verschenen, dat aanleiding zou moeten geven tot herziening van het luchtkwaliteit beleid in de EU en/of van de WHO Air Quality Guidelines, met name voor fijn stof, ozon, NO2 en SO2?

Antwoord:
Introductie.
Sinds de publicatie van de global update van de WHO Air Quality Guidelines 2005, is er een aanzienlijke hoeveelheid nieuw wetenschappelijk onderzoek verschenen voor vier vervuilende elementen, fijn stof, ozon, NO2 en SO2, zoals besproken in dit deel van het rapport.
In veel gevallen hebben deze elementen relaties laten zien met negatieve gezondheidseffecten op niveaus van vervuiling, lager dan die van de onderzoeken waarop de global update van 2005 was gebaseerd. Dit is in het bijzonder het geval voor fijn stof, ozon en NO2.
In het licht hiervan, willen we aanbevelen dat de WHO start met herziening van de eerdere richtlijnen, met het oog op voltooiing van de herziening in 2015.
We dringen er verder op aan dat de Europese Commissie bevestigt dat het, gezien het bewijs voor gezondheidseffecten door luchtvervuiling en de implicaties voor luchtkwaliteit beleid, haar beleid te dien aanzien op regelmatige basis herziet.

Het volgende is een korte samenvatting van gedachten over en de behoefte aan het doen van aanbevelingen voor de vier vervuilende stoffen.

1.
PM
Er is behoefte om de huidige WHO Air Quality Guidelines voor PM 10 (20 ug/m3 jaargemiddelde en 50 ug/m3, 24 uur gemiddelde) en PM 2,5 (10 ug/m3 jaargemiddelde en 25ug/m3, 24uur gemiddelde) te herzien.

De huidige stand van wetenschappelijke kennis, die wordt gesteund door een grote hoeveelheid nieuw onderzoek, laat zien dat er een breed scala aan negatieve effecten op gezondheid is, die gerelateerd zijn van blootstelling aan PM 2,5 (zie antwoorden op vraag A1) en PM 10 (zie antwoorden op vraag A4).
De beschikbare gegevens laten duidelijk zien dat deze effecten in de onderzochte omstandigheden geen drempel hebben; ze hebben een vrijwel lineaire concentratie-respons functie en ze vinden waarschijnlijk plaats op tamelijk lage niveaus, dichtbij de PM 2,5 achtergrond vervuilings- concentraties.
De wetenschappelijke basis voor de WHO Air Quality Guidelines voor PM 2,5 en PM 10 en de overeenkomende tussentijdse doelstellingen (alle vastgesteld in de 2005 update van de WHO Air Quality Guidelines), zijn daarom nu zelfs sterker dan 7 jaar geleden.
De in 2005 vastgestelde WHO Air Quality Guidelines hebben geen veiligheidsmarge.
Op dat moment weerspiegelden de WHO Air Quality Guidelines de waarden, die dicht bij het laagste niveau van de toentertijd beschikbare concentratie-respons functies lagen; er bestaat nu meer actuele informatie over lagere PM niveaus dan eerder.

. Vanuit het zelfde perspectief gezien, bestaat er sterke behoefte om te komen tot heroverweging en
verlaging van de waarde van PM 2,5 van 20 ug/m3 (jaargemiddelde doelstelling 2020) bepaald in
Sectie D, Amex XIV van de Ämbient Air Quality Directive 2008/50/EC.
Op dit moment bestaat er een aanzienlijk gat tussen de WHO Air Quality Guidelines voor PM 2,5
(10 ug/m3, jaargemiddelde), de door de VS in 2012 bepaalde limiet (12 ug/m3, jaargemiddelde) en
de in tweede instantie in de EU te bereiken grenswaarde van 20ug/m3.
Er bestaat behoefte aan een PM 2,5 korte termijn (24 uur) grenswaarde (zoals aangegeven in het
antwoord op vraag A3) en een herwaardering van de PM 10 waarden.
De wetenschappelijke basis, om luchtkwaliteit en fijn stof te benaderen vanuit een
blootststellingsreductie, zoals begrepen in de “Directive 2008/50/EC (EU, 2008), is sterker
geworden en deze benaderingswijze heeft in beginsel de voorkeur om nadelige
gezondheidseffecten van PM 2,5 te verminderen.
De actuele concentratie, dan wel specifieke grens- of richtwaarden buiten beschouwing
latend, kan het instellen van nationale blootstellingsreductie doelen, zoals die vermeld in sectie B,
Annex XIV van de Directive, leiden tot gezondheidsvoordelen voor de bevolking.

. Het zou aanbevelenswaardig zijn om een aanvullende luchtkwaliteit richtlijn te ontwikkelen voor
de effecten van wegverkeersemissies, die niet voldoende begrepen zijn in Pm 2,5, daarbij voort-
bordurend op het onderzoek naar black carbon en/of elementair carbon (Health effects of black
carbon. Janssen et al 2012) en ander bewijs van vervuiling door verkeersemissie.

. Afgezien van de volksgezondheids- en/of luchtkwaliteit effecten, is black carbon ook van belang
als een factor die op korte termijn bijdraagt aan opwarming van de aarde.
Vermindering van de black carbon emissies en concentraties komt ten gunste van de
volksgezondheid en voor bronnen met een hoge black carbon/organisch carbon verhouding,
draagt die bij aan vermijding van korte termijn klimaatveranderingen.

. Hoewel er aanzienlijk bewijs is dat ultra fijn stof kan bijdragen aan gezondheidseffecten die
samenhangen met fijn stof, zijn de beschikbare data van concentratie-effect functies te gering om
daar voor een richtlijn te onderzoeken en aan te bevelen. Dat zelfde geldt voor organic carbon.
De huidige pogingen, om de hoeveelheid ultra fijn stof van motoremissies te beperken, moeten
worden voortgezet en de effectiviteit daarvan dient -gelet op potentiële gezondheidseffecten-
te worden beoordeeld.

. Gelet op de significante negatieve korte en lange termijn gezondheidseffecten van Pm 2,5
moet de “National Emissions Ceiling Directive” worden herzien om een grens voor PM 2,5 te
stellen. Het is van het grootste belang om emissies van voertuigen, van verbranding van
vaste en vloeibare brandstoffen, inclusief van die van niet-wegverkeer en van verbranding van
biomassa, te beperken en om een bovengrens te stellen in een herziene “National Emissions Ceiling
Directive” en ook in het instellen van grenswaarden voor PM in de “Ambient Air Quality Directive”.

. Een andere geëigende doelstelling is om “non tailpipe” emissies van wegverkeer terug te brengen,
gegeven de relatief toenemende bijdrage daarvan als de motoremissies van voertuigen
verminderen.