Rotterdam

Uitspraak
BRON
ECLI:NL:RBROT:2012:BW9831
LJN BW9831, Rechtbank Rotterdam, AWB 12/221
Datum uitspraak: 28-06-2012
Datum publicatie: 28-06-2012
Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig
Zaaknummers: AWB 12/221
Inhoudsindicatie:
Besluit waarbij geweigerd is handhavend op te treden tegen het gebruik van een houtkachel. De Rb. oordeelt onder meer dat eiser – anders dan verweerder en de derde-belanghebbende hebben gesteld – wel een verzoek tot handhavend optreden tegen het gebruik van de houtkachel door de derde-belanghebbende heeft ingediend. Het feit dat dit langs elektronische weg is gebeurd, terwijl verweerder deze weg naar eigen zeggen niet heeft opengesteld, maakt dat niet anders. Immers, verweerder heeft in reactie op alle e-mails van eiser, nooit aan hem laten weten dat hij zijn verzoek niet via de elektronische weg heeft kunnen of mogen indienen, zoals art. 2:15, lid 4 Awb dit vereist. De Rb. betrekt hier verder nog bij dat in het bezwaarschrift van eiser expliciet is gesteld dat eiser diverse verzoeken om handhaving heeft gedaan. In reactie hierop heeft verweerder evenmin gesteld dat er geen verzoek is gedaan, maar is inhoudelijk ingegaan op het door eiser gestelde. (…)

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/221

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Ridderkerk, eiser,
gemachtigde: mr . drs. J. van Wieringen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk, verweerder.

Als derde-belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen:
[belanghebbende], te Ridderkerk,
gemachtigde: mr. M.A. de Boer.

Procesverloop

Bij brief van 18 augustus 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruikvan de houtkachel in de woning [adres] te Ridderkerk.

Bij besluit van 16 september 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld dat er geen wettelijke mogelijkheden zijn om preventief handhavend op te treden tegen het gebruik van de houtkachel.

Eiser heeft bij brief 16 januari 2012, ontvangen op 17 januari 2012 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
S. Kulker en J. Campfens. Namens de derde-belanghebbende is verschenen zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Sinds 14 maart 2011 heeft eiser door middel van e-mails geklaagd bij verweerder over overlast als gevolg van het gebruik van de houtkachel door derde-belanghebbende bij hoge wind (tussen Noord en Oost) en weinig wind en koud weer. Hierbij heeft eiser verweerder gevraagd om maatregelente nemen en heeft eiser verweerder diverse malen verzocht om een reactie. Verweerder heeft, eveneens via de e-mail, gereageerd op de e-mails van eiser en daarnaast een bouwkundige controle uitgevoerd met betrekking tot de woning van derde-belanghebbende.

Bij brief van 18 augustus 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen verweerders weigering om handhavend op te treden tegen de ervaren overlast. Hierin heeft eiser onder meer gesteld dat hij uitdrukkelijk om handhaving heeft verzocht, maar dat er tot op heden geen handhavende maatregelen zijn genomen. Tegen een dergelijke weigering kan volgens eiser bezwaar worden gemaakt.

Bij brief van 6 september 2011 heeft verweerder aangegeven dat, om te kunnen handhaven, de hinder door verweerder moet worden geconstateerd. Dat is nog niet gebeurd, omdat de keren dat een medewerker van verweerder ter plaatse was, de houtkachel niet in gebruik was. Omdat alleen kan worden gehandhaafd op grond van de Bouwverordening, moet de hinder door verweerder worden geconstateerd en is de medewerking van eiser nodig. Volgens verweerder is er geen sprake van een (fictieve) weigering om te handhaven en verzoekt verweerder eiser om zijn bezwaar in te trekken.

In reactie hierop heeft eiser aangegeven het bezwaar niet in te trekken omdat nog steeds geen sprake is van preventieve of reactieve handhaving. Wel gaat eiser akkoord met het aanhouden van het bezwaar tot 1 februari 2012. Hierbij stelt eiser dat bij tekortschietende handhaving, er rechtstreeks beroep bij de rechter zal worden ingesteld, waarbij de rechter zal worden verzocht een last onder dwangsom aan de gemeente op te leggen om de handhaving af te dwingen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiser medegedeeld dat het plaatsen van een houtkachel in een bestaand pand niet omgevingsvergunningplichtig is en de rookafvoer voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit. Het verbieden van een rookkanaal op basis van het Bouwbesluit is niet mogelijk, zodat preventief handhaven niet mogelijk is.
Op basis van het artikel 7.3.2 van de Bouwverordening het wel mogelijk is om reactief handhavend op te treden, maar dan moet wel eerst objectief vastgesteld worden dat sprake is van overlast of hinder door rookgassen. Is dat het geval, dan kan een stookverbod worden opgelegd. Tot op heden is volgens verweerder niet objectief vastgesteld dat er sprake is van hinder. Voor reactief handhaven is de medewerking van eiser nodig.

3. Eiser stelt zich in beroep – samengevat en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat gelet op de uitsprakenvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 september 2010, LJN: BN6981, en 4 mei 2011, LJN: BQ3427, verweerder de bevoegdheid en de verplichting heeft om in vergelijkbare stankoverlastgevallen een stookverbod op te leggen, omdat het belang van de volksgezondheid een preventieve en geen reactieve aanpak vereist. Eiser verzoekt de rechtbank de weigeringsbesluiten van verweerder om een stookverbod op te leggen te vernietigen en verweerder op te dragen over te gaan tot handhaving door het opleggen van een algeheel en permanent stookverbod voor de houtkachel in de woning ********, onder oplegging van een dwangsom voor elke dag dat verweerder nalatig blijft. Voorts verzoekt eiser de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te veroordelen tot betaling van de proceskosten tot een bedrag van€ 400,00.

4.1 Artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
4. (…).”

4.2 Op grond van artikel 2:13, eerste lid, van de Awb kan in het verkeer tussen burgers en bestuursorganen een bericht elektronisch worden verzonden, mits de bepalingenvan deze afdeling in acht worden genomen.

Artikel 2:15, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan kan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.
Op grond van hetvierde lid deelt het bestuursorgaan een weigering op grond van dit artikel zo spoedig mogelijk aan de afzender mede.

4.3 Op grond van artikel 6:7 van de Awb is determijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring opgrond daarvan achterwege blijft indien rede¬lij¬kerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.4 Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Het derde lid, bepaalt dat indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

4.5 Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar dient te maken, tenzij het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser – anders dan verweerder en de derde-belanghebbende hebben gesteld – wel een verzoek tot handhavend optreden tegen het gebruik van de houtkachel door de derde-belanghebbende ingediend. Het feit dat dit langs elektronische weg is gebeurd, terwijl verweerder deze weg naar eigen zeggen niet heeft opengesteld, maakt dat niet anders. Immers, verweerder heeft in reactie op alle e-mails van eiser, nooit aan hem laten weten dat hij zijn verzoek niet via de elektronische weg heeft kunnen of mogen indienen, zoals artikel 2:15, vierde lid, van de Awb dit vereist.. De rechtbank betrekt hier verder nog bij dat in het bezwaarschrift van eiser van 18 augustus 2011 expliciet isgesteld dat eiser diverse verzoeken om handhaving heeft gedaan. In reactie hierop heeft verweerder evenmin gesteld dat er geen verzoek is gedaan, maar is inhoudelijk ingegaan op het door eiser gestelde.

6. Verder is de rechtbank van oordeel dat de brief van verweerder van 16 september 2011 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb . Verweerder is bevoegd om te beslissen op verzoeken om handhavend op te treden en heeft schriftelijk aan eiser medegedeeld dat vooralsnog niet te zullen doen. Daarmee is rechtsgevolg in het leven geroepen.

7. Bij brief van 23 januari 2012 heeft de rechtbank eiser medegedeeld dat beroep is ingesteld tegen het bestreden besluit en dat dit beroep op 17 januari 2012 bij de rechtbank is ontvangen. Eiser wordt verzocht mede te delen wat de reden is voor de termijnover-schrijding. In zijn reactie heeft eiser de rechtbank medegedeeld dat zijn beroep zich op grond van artikel 7:1, onder e, van de Awb richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijnbezwaar.

8. Gelet hierop en op het verhandelde ter zitting zal de rechtbank eiser volgen en het beroep aanmerken als zijnde gericht tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op eisers bezwaarschrift van 18 augustus 2011. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

9. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is het bestreden besluit tot stand gekomen naar aanleiding van het bezwaarschrift, eisers brief van 8 september 2011 en het gesprek dat eiser en zijn echtgenote met medewerkers van verweerder hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit dan ook aan te merken als een beslissing op het bezwaar van eiser. Eiser heeft hiertegen eerst ruim na de daarvoor geldende termijn beroep ingesteld bij de rechtbank, zodat sprake is van een termijnover-schrijding. Anders dan eiser meent, is deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar omdat een rechtsmiddelenclausule ontbreekt in het bestreden besluit. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011, LJN: BT2131, is de rechtbank van oordeel dat een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten als een rechtsmiddelen-clausule ontbreekt, met uitzondering van die gevallen waar sprake is van professionele rechtshulp-verlener. In geval van de aanwezigheid van een rechtshulpverlener, zoals hier aan de orde, mag worden verwacht dat deze kennis heeft van het in te stellen rechtsmiddel en de termijnen die gelden.
Het beroep van eiser is mitsdien niet-ontvankelijk.

10. Voor zover het bestreden besluit niet kan worden aangemerkt als een beslissing op het bezwaar van eiser tegen de fictieve weigering te beslissen op het verzoek om reactieve handhaving, overweegt de rechtbank het volgende.

11. Artikel 6:12 van de Awb bepaalt dat, na het verstrijken van de beslistermijn, verweerder eerst in gebreke dient te worden gesteld, alvorens beroep kan worden ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. Eiser heeft verweerder in zijn brief van 8 september 2011 tot 1 februari 2012 de tijd gegeven om te beslissen op zijn bezwaar. Eiser heeft met zijn brief van 29 januari 2012, derhalve na het instellen van beroep, verweerder in gebreke gesteld voor het niet beslissen op zijn bezwaarschrift. Zowel ten tijde van de indiening van het beroep als op het moment van ingebrekstelling was de door eiser zelf gegeven beslistermijn dus nog niet afgelopen. Mitsdien kan niet worden gesteld dat verweerder ten tijde van het indienen van beroep in gebreke was. Door eiser is derhalve niet voldaan een de vereisten van artikel 6:12 van de Awb , zodat het beroep ook om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

12.1 Eiser heeft de rechtbank verzocht hem een bedrag van € 300,00 te betalen bij wijze van schadevergoeding. Eiser zou deze schade hebben geleden als gevolg van de verwarring die ontstaan is door het verzenden van meerdere nota’s voor betaling van het griffierecht in de procedures van beroepen verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

12.2 Op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart en daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

12.3 Indien eiser meent dat hij door het handelen van de rechtbank schade heeft geleden, dan zal hij hiervoor naar de civiele rechter moeten voor het indienen van een schadeclaim wegens onrechtmatige daad, nu de Awb de rechtbank slechts de bevoegdheid geeft om – bij een gegrond beroep – het bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade. Eisers verzoek wordt derhalve afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank
– verklaart het beroep niet-ontvankelijk,
– wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is inhet openbaar uitgesproken op 28 juni 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aanpartijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.