Hans ErbrinkBRON LINKEDIN
dr at KEMA
Nijmegen en omgeving, NederlandMilieuservicesHuidig KEMA
Vorige DSM, delft
Opleiding Vrije Universiteit Amsterdam

Naast de gezondheidsbezwaren, is houtstook ook al nummer 1 voor geurhinder. Al die kachels en haarden blijven nu teveel onder de radar van het beleid. Er wordt nagedacht over milieuzones voor verkeer in binnensteden. Die kosten miljoenen, maar misschien is het handiger wat aan die houtstook te doen. In diverse landen (Belgie, Duitsland, VS) is al meer aandacht voor de houtstook problematiek en is al een aantal maatregelen in gang gezet (bv. verbod op houtstook bij problematisch weer).

kaderGerard KosBRON LINKEDIN

De openingszin in het persbericht over het proefschrift “Niet kankerverwekkende stoffen in de lucht maar fijnstof zorgt voor de meeste slachtoffers” is een contradictio in terminis en daarom verwarrend voor het publiek. Immers, juist ook in fijnstof zitten kankerverwekkende stoffen, naast bijtende en irriterende stoffen, oxidatieve ontstekingsbevorderende stoffen en bloeddrukverhogende stoffen. Het is dan ook van belang dat de complete boodschap gelezen wordt, ook door het grote publiek. Er wordt in de informatie die nu in het bericht staat naar het verkeer verwezen als bron van ultrafijn stof dat het meeste effect op de gezondheid zou hebben. Graag wil ik er op wijzen dat in toenemende mate woonkernen te maken krijgen met niet alleen lokaal verkeer, maar ook met pluimen van houtverbranding die volkomen buiten zicht zijn van de bepaling van de luchtkwaliteitskaarten voor de regio’s. Bestaande meetlocaties zijn te beperkt en staan meestal of te landelijk of te grootstedelijk of ergens langs een drukke verkeersweg. Voor minder grote steden en andere agglomeraties ontbreken de juiste meetgegevens en de juiste modelleringstools. In de gebruikte modellen voor het bepalen van de lokale luchtkwaliteit 9als die al gebruikt worden) zit namelijk geen module houtrook. Onderzoek heeft aangetoond dat houtrook niet onder doet voor dieselrook v.w.b. gezondheidsschadelijkheid en juist in woonwijken kunnen we te maken hebben met ongecontroleerde emissies als gevolg van houtverbranding, waarbij zeer variabele maar ook extreme blootstellingen kunnen optreden. Ik ben het dus zeker eens met de conclusie van het proefschrift van Loes Geelen: “Bij de evaluatie van emissiereducerende maatregelen zou daarom niet alleen gekeken moeten worden of de grenswaarden worden gehaald, maar zouden mogelijke gezondheidseffecten expliciet in de evaluatie moeten worden meegewogen.”
Laten we vooral ook beginnen met het vaststellen waar en in hoeverre de gevaarlijkste componenten van fijnstof de bevolking kunnen bereiken, zodat te treffen maatregelen voor de gehele bevolking hout snijden.

kader

Trinette Janssen • Het persbericht van de promotie van mevrouw Geelen bevatte de bewering dat 99,9% van het ons omringende fijn stof afkomstig is van het verkeer. Daarover heb ik contact opgenomen met mw. Geelen. Ik wees haar op de bijdrage van fijn stof uit houtverbranding. Ze zou de foute voorlichting in het persbericht bijstellen. Ik heb o.a. het onderzoek van Gerard Kos toegezonden aan mw. Geelen. In Nederland wordt door alle overheids instanties het probleem niet alleen te vuur en te zwaard ontkend, maar de schaarse onderzoeksgegevens worden met arbitraire argumenten ontkracht. Zie ook de recente antwoorden op Kamervragen van staatssecretaris Wilma Mansveld. Daarin beweert ze zelfs dat gemeenten regels in hun APV kunnen opnemen tegen houtrookoverlast. Niet wetende dat er al een artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 bestaat dat rookoverlast kort en goed verbiedt. Hiervoor, in 2008, heeft Remi Poppe (SP) al eens Kamervragen over rookoverlast gesteld. De antwoorden waren even onthutsend als nu. Er werd een rapport van TNO aangehaald, waarvan de auteur zelf beweerde dat de inhoud niet klopte. Niettemin werd het (wan)beleid daardoor bepaald. In bestuursrechtelijke procedures bepalen gemeenten op eigen houtje wat “de bedoeling is van artikel 7.22″. Met als resultaat dat “een beetje rook” geen overlast is “in de zin van art. 7.22″. En de doorsnee rechter praat dit na. Ook al wordt a.d.h. van veel wetenschappelijke rapporten aannemelijk gemaakt, hoe gevaarlijk houtrook voor de gezondheid is.
Gelukkig heeft het Hof voor de Rechten van de Mens al één van deze zaken voor nader onderzoek geaccepteerd. Binnenkort volgen er meer. De motivaties in al deze dossiers zijn van een schrikbarend laag niveau.
Trinette Janssen

kader

van Loes Geelen

Beter laat dan nooit wil ik toch nog even reageren op de discussie rondom de ziektelast en de verhoudingen hier tussen fijn stof en bronnen. Het samenvatten van jaren werk in een kort persbericht valt niet mee. Daarom hieronder een iets uitgebreidere beschrijving van mijn onderzoeken.Een van de casestudies gaat over de vergelijking van 21 prioritaire stoffen (fijn stof, 3 precursors, en 17 kankerverwekkende) voor wat betreft de milieudrukindicator, de milieukwaliteitindicator en de gezondheidseffectindicator (in DALYs) toe te passen op Nederlandse schaal. De resultaten van deze drie indicatoren zijn met elkaar vergeleken om te kijken of deze verschillende indicatoren leiden tot een andere prioritering van de stoffen.
–> Wat blijkt?
1. De ziektelast in Nederland ten gevolge van binnenlandse luchtemissies
van primair en secundair fijn stof (PM10) was in 2003 veruit het hoogst met 41.000 DALY’s per jaar. De ziektelast ten gevolg van binnenlandse luchtemissies van 17 kankerverwekkende prioritaire stoffen was veel lager (140 DALY’s per jaar).
2. De resultaten van de indicatoren voor milieudruk en milieukwaliteit daarentegen laten een heel ander beeld zien.
–> Kortom, het vergelijken van actuele emissies en milieuconcentraties met beleidsmatig gestelde grenswaarden geeft maar weinig inzicht in mogelijke effecten van
stoffen op de volksgezondheid. Dit is opvallend! want deze grens-waarden zijn juist afgeleid met het doel om de volksgezondheid te beschermen.
–> Dit hoofdstuk laat dus zien hoe de keuze voor de ene of de andere indicator de prioriteitstelling van stoffen beïnvloedt. Bij de evaluatie van emissiereducerende maatregelen zou daarom niet alleen gekeken moeten worden of de doelen voor emissies en milieukwaliteit worden behaald. Mogelijke gezondheidseffecten zouden expliciet in de evaluatie moeten worden meegewogen.In de casestudie in de regio Moerdijk hebben we de invloed van lokale bronnen van luchtverontreinging (fijn stof) vergeleken met elkaar: industrie, wegverkeer,
spoorwegvervoer en scheepvaart.
–> Wat blijkt?
Wegverkeer blijkt de belangrijkste lokale bron te zijn voor sterfte ten gevolge van primair fijn stof (PM2.5), terwijl de invloed van industrieel primair fijn stof een factor 3 lager wordt geschat.
–> Bovendien blijkt dat de inschatting van de effecten op gezondheid van industriële en verkeersgerelateerde luchtverontreiniging afwijkt van hoe deze risico’s worden gepercipieerd. De gepercipieerde risico’s van industriële luchtverontreiniging blijken groter dan die van verkeersgerelateerde luchtverontreiniging.Mijn volledige proefschrift is te downloaden via de volgende link:
http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/2066/112940/1/112940.pdf

kader

Carla Anzion •
interimmanager en milieuadviseur at Anzion Advies, milieu&management
Utrecht en omgeving, Nederland

Vorige week een tip gekregen over deze discussie als organisator van een landelijk congres over Houtstook door de VVM, Netwerk van Milieuprofessionals. De secties Geur en Milieurecht&Praktijk hebben het initiatief genomen om dit congres te gaan organiseren. Mijn persoonlijke motivatie is het grote aantal geurgehinderden door houtstook (10-13%), wetend dat stankhinder in dit geval betekent dat er ook schadelijke stoffen bij de waarnemers terecht komen. En enkele ervaringen met toezicht&handhaving bij houtstook door gemeenten. Inmiddels hebben we een groot organisatiecomité met daarin vertegenwoordigers van de kachelbranche, het RIVM, Longfonds en diverse milieudeskundigen De doelgroep van het congres is breed: burgers, kachelleveranciers, ingenieursbureaus, milieudeskundigen etc. Als onderwerpen willen we alle relevante thema’s aan de orde laten komen. Het congres wordt in mei gehouden bij het RIVM. Het doel is de bestaande informatie beter beschikbaar te maken en een stap verder te komen in de mogelijkheden om deze problematiek aan te pakken. Volgens mij is dat mogelijk zonder al te grote inspanningen te hoeven leveren.
Voorafgaand hieraan heeft het ministerie van I&M in november (2013) 2 bijeenkomsten georganiseerd naar aanleiding van brieven van burgers met problemen en van gemeenten die moeite hebben om deze problematiek aan te pakken. De eerste bijeenkomst voor burgers is al geweest. De tweede bijeenkomst voor stakeholders op uitnodiging is op 26 november 2013.
De informatie in deze discussie is wellicht een (extra) argument voor I&M om onderzoek te laten doen. Zoals blijkt uit de discussie zijn er veel onzekerheden om berekeningen te kunnen doen. Het aantal kachels en (open) haarden is wel goed bekend, maar het aantal uren dat gestookt wordt, hoeveel hout er dan verstookt wordt en vooral wat dan de resulterende emissie is, is niet goed bekend.
De aantallen kachels zijn hoog, de emissies (door slecht stookgedrag) waarschijnlijk ook en dat betekent naar mijn mening dat er op heel veel plaatsen lokaal een probleem is. En dat is nu juist het argument tot nu toe van de rijksoverheid, namelijk dat het een lokaal probleem is waar de gemeente voor verantwoordelijk is. En de gemeenten hebben vaak onvoldoende kennis om dit probleem aan te pakken.
Wordt vervolgd als er weer nieuws is over het congres!

kader