Houtrook nekt gezondheid Papoea’s

Bron: DiGIBron
Tropenarts Vriend onderzocht de gevolgen van de nachtvuurtjes in Papoea-hutten

Zwaar hangt de houtrook in de hutten van de Papoea’s. De kleine vuurtjes brengen warmte tijdens de koude avonden en nachten in de bergen. De Papoea’s ademen de rook de hele nacht in, want een fatsoenlijk rookkanaal ontbreekt in hun traditionele onderkomens. Met funeste gevolgen voor hun gezondheid. De meeste Papoea’s sterven een vroegtijdige dood ten gevolge van longverstijving.

Die conclusie trekt dr. W. H. (Wim) Vriend in zijn proefschrift “Smoky Fires” (Rokende vuren) waarin hij onder meer verslag doet van zijn werk en onderzoek onder de Papoea”s in de berglanden. Tussen 1960 en 1993 werkte Vriend als arts en algemeen chirurg, samen met zijn vrouw Ennie die verpleegkundige is, onder de Papoea”s in de bergdorpen. Afgelopen vrijdag promoveerde de thans in het Australische Brisbane wonende Vriend op 75-jarige leeftijd aan de Vrije Universiteit op onderzoek naar de gevolgen van houtrookinhalatie op de gezondheid van de berglandpapoea”s.

Vriend wilde als kind al zendingsarts worden. Een zendeling kwam op school in Den Haag vertellen over zijn werk. De vonk sloeg over. Vanaf dat moment wist de jonge Wim dat hij arts wilde worden om de zending in te gaan. En zo is het ook gegaan. Na zijn studie doorliep hij de gebruikelijke tropenopleidingen en werd hij in 1960 door de Nederlandse Hervormde Kerk als zendingsarts uitgezonden naar het ontoegankelijke Jalimo-gebied in de binnenlanden van Papoea, het vroegere Irian Jaya.

Voettocht

Vriend trok samen met dr. Siegfried Zöllner, die namens de toenmalige Rijnse Zending als predikant was uitgezonden, en twee Papoea”s uit de kuststreek vanuit de bestuursplaats Wamena te voet de bergachtige wildernis in, een wekenlange reis. Het Jalimo-gebied was nog een witte vlek op de kaart. Verreweg de meeste bewoners hadden nog nooit een blanke gezien. “Alleen een klein groepje sterke mannen die in staat waren de hoge bergkammen over te steken, hadden op andere plaatsen wel eens contact met blanken gemaakt.”

Eenmaal op de plaats van bestemming begonnen de pioniers, met hulp van de vriendelijke Papoea-bevolking, met de aanleg van een start- en landingsbaan voor kleine bevoorradingsvliegtuigjes. Golfplaten werden ingevlogen, onderkomens verrezen en een ziekenhuisje werd gebouwd. Vriend begon zijn werk als arts-chirurg, Zöllner startte met een taalstudie om het Evangelie te kunnen gaan verkondigen. Dat alles gebeurde op verzoek van de lokale GKI, de evangelisch-christelijke kerk van Irian Jaya.

Het ziekenhuis was redelijk compleet, vertelt Vriend. “Er stond een röntgentoestel en ik beschikte over een volledig chirurgisch instrumentarium.” Al snel dromden de Papoea”s samen voor het ziekenhuis. De reden daarvan was, dat Vriend hen met een enkele penicilline-injectie kon verlossen van een hardnekkige zwerende huidaandoening (frambosia).

Het chirurgische werk nam ook snel toe. Jarenlang stuurden alle op Papoea werkzame zendingsorganisaties hun chirurgische patiënten per vliegtuigje van de Mission Aviation Fellowship (MAF) door naar het huttendorp Angguruk, de plaats waar Vriend opereerde. Later verplaatste hij zijn werkterrein naar Wamena, waar hij een groot ziekenhuis op poten zette. Van daaruit had hij ook geregeld contact met wijlen ds. G. Kuijt, de bekende zendingspredikant die vanuit de Gereformeerde Gemeenten was uitgezonden naar Irian Jaya. “Kuijt kwam later dan ik. Hij vertrok vanuit Angguruk om zich in de Passvallei en Nipsan te vestigen, een paar bergketens verderop.”

Houtrook

Al snel kreeg de Papoea-dokter in de gaten dat de houtrook die zwaar in de hutten hing geen beste invloed had op de gezondheid van zijn patiënten. De hutten zijn gemaakt van jonge stammetjes en planken. Afhankelijk van de streek hebben de hutten een grasdak of een dak bestaande uit een dikke laag palmbladeren, zoals in het Jalimo-gebied het geval is. ”s Nachts stoken de berglandpapoea”s een vuur in hun hutten om warm te blijven. Vriend: “Overdag is het tropisch warm, maar ”s nachts daalt de temperatuur in de bergen tot een graad of tien. Omdat de Papoea”s grotendeels naakt zijn, hebben ze een vuur nodig om warm te blijven. Dat betekent dat ze zo”n twaalf uur per dag in de houtrook zitten of liggen.”

De sterfte onder de baby”s was bij de komst van Vriend zeer hoog. “Vele kleintjes stierven door de houtrook aan een ontsteking -bronchiolitis- van de kleinste luchtwegen, de bronchioli. Bovendien was zo”n infectie in de kleine hutten gemakkelijk overdraagbaar. Door de komst van penicilline konden we die luchtwegaandoening effectief bestrijden.” Het was echter een vorm van symptoombestrijding, want de oorzaak, de rook, was er niet door verdwenen.

De volwassen berglandpapoea”s zijn over het algemeen atletisch en fit door het werken in hun tuinen op de berghellingen, waar ze zoete aardappelen en allerlei groenten kweken. Bij het toenemen van de jaren worden ze echter steeds meer kortademig. Hun ademkracht neemt af doordat het longweefsel stijver wordt. Fumacosis noemt Vriend dit ziektebeeld. “Dat achteruitgangsproces verloopt geleidelijk en onmerkbaar. De berglandpapoea”s merken er zelf nauwelijks wat van. Ze sterven ”s nachts in stilte, vaak niet ouder dan een jaar of 45 à 50. Een enkeling wordt 55.”

Basale aanpak

Vriend probeerde zijn opdrachtgevers in Nederland te interesseren voor een meer basale aanpak. De Papoea-dokter zegt er alles aan te hebben gedaan om een project van de grond te krijgen ter verbetering van de huisvesting van de berglandpapoea”s. Hij kreeg echter nul op het rekest. “Ik heb voorgesteld een mobiele houtzagerij te bouwen. Water van de vele bergriviertjes zou de zagerij kunnen aandrijven. Met de planken zouden de Papoea”s huisjes van duurzaam hout kunnen bouwen met een fatsoenlijk rookkanaal erin. De zending wilde dat echter niet. Daardoor is de huisvesting van de berglandpapoea”s nog steeds slecht.”

Een voor Vriend zeer frustrerende ervaring, zo geeft hij toe. Toch is hij niet bij de pakken neer gaan zitten. Toen de tropenarts na zijn pensionering meer tijd kreeg, besloot hij een onderzoek op te zetten naar de gevolgen van houtrookinhalatie, om de daaraan verbonden gezondheidsproblemen wetenschappelijk te kunnen onderbouwen in een poging meer aandacht voor het probleem te krijgen. Opnieuw echter stuitte Vriend op belemmeringen bij de financiering van zijn plannen.

Het toenmalige ministerie van Ontwikkelingssamenwerking gaf financiële voorrang aan de ontwikkeling van een malariavaccin. Simavi, dat Vriend dertig jaar lang had voorzien van chirurgisch instrumentarium, kon hem niet helpen aan onderzoeksuitrusting. En het ICCO, de Interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking, had ook geen mandaat voor zo”n financiële injectie. Uiteindelijk kocht de MAF een computer voor Vriend en de in 1993 overleden prof. dr. P. H. van Thiel, hoogleraar tropische geneeskunde in Leiden, zorgde voor financiële ondersteuning van het veldwerk. Van Thiel staat dan ook boven aan de lijst van mensen aan wie Vriend zijn proefschrift heeft opgedragen.

Eigen formule

De tropenarts ontwikkelde, in samenwerking met wijlen prof. dr. A. Woolcock uit Sydney, een zelfgemaakte spiro- of ademhalingsmeter. Woolcock onderzocht in het oostelijke deel van het eiland, Papoea-Nieuw-Guinea, dezelfde aandoening. De spirometer bevatte onder meer een blaasbalg. De Papoea”s moesten blazen in een slang. Vervolgens keek Vriend niet alleen hoe groot hun longvolume was, maar ook hoe snel ze de lucht uit hun longen konden blazen. Die gegevens vermenigvuldigde de promovendus met elkaar, waarbij hij gebruikmaakte van een nieuwe wiskundige formule waarop hij een patent heeft genomen. “Zo”n soort meting is ongebruikelijk onder longartsen. Zij kijken niet naar het resultaat, de ademkracht, maar naar het ademvolume of alleen naar de stroomsnelheid. Je moet de uitkomsten van die twee echter met elkaar vermenigvuldigen. Dan kun je de ademkracht berekenen”, vertelt Vriend.

Als controlegroep fungeerden in het onderzoek Papoea”s uit de kustgebieden. Het zijn veelal ambtenaren die in goede huizen wonen. Ze stoken ”s nachts geen houtvuren omdat het aan de kust veel warmer is. Als ze in de bergen zijn, slapen ze onder een deken. De uitkomsten van Vriends onderzoek waren duidelijk: de longcapaciteit van de bergpapoea”s bleek veel te klein te zijn en hun ademkracht was ook beduidend minder dan die van de kustpapoea”s, terwijl die bovendien nog eens kleinere longen hebben.

Mogelijk werpt de nieuwe onderzoekmethode ook nieuw licht op de longfunctie van mensen in geïndustrialiseerde landen die leven in gebieden met veel luchtvervuiling. Het is volgens Vriend interessant om daarnaar onderzoek te doen.

Is een rookgat in het dak van de hutten van de berglandpapoea”s geen simpele oplossing voor dit probleem? “Nee, dat is te koud. Collega”s hebben een lemen hut gemaakt met een schoorsteen erin. Het lukte echter, ook na vele pogingen, niet om het dak regendicht te maken rond de schoorsteenpijp. Een nadeel is ook dat in de spleten die in zo”n lemen hut ontstaan allerlei ziekteverwekkende insecten gaan zitten.”

De compagnon van Vriend, de inmiddels eveneens gepensioneerde dominee dr. Siegfried Zöllner, is momenteel coördinator van het Duitse Papua-Netzwerk. Hij volgt de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in Papoea op de voet en is van mening dat het momenteel gezien de politieke omstandigheden niet mogelijk is het huisvestingsprobleem aan te pakken. Vriend: “Die tijd is menselijkerwijs gesproken voorbij. In dat opzicht hebben we gefaald.”