Gouda

Uitspraak
ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9916
LJN BO9916, Rechtbank ‘s-Gravenhage, AWB 10/6673 GEMWT
Datum uitspraak: 20-12-2010
Datum publicatie: 05-01-2011
Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
Soort procedure: Voorlopige voorziening
Zaaknummers: AWB 10/6673 GEMWT
Inhoudsindicatie:
Verzoek aan verweerder om handhavend op te treden ter zake van het gebruik van de houtkachel van belanghebbende wegens overlast. Vraag of er sprake van hinder als bedoeld in art. 7.3.2 van de Bouwverordening kan niet op voorhand worden geconcludeerd. Geen voorlopige voorziening.

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling1

Reg.nr.: AWB 10/6673 GEMWT

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[A], wonende te [plaats], verzoeker,
ten aanzien van het besluit van 18 augustus 2010, verzonden op 19 augustus 2010, van het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder.

Derde partij: [B], wonende te [plaats], belanghebbende.

I PROCESVERLOOP
Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft verweerder de verzoeken van verzoekerom handhavend op te treden ter zake van het gebruik van de houtkachel van belanghebbende aan de [adres 1] te [plaats] afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 6 september 2010, ingekomen bij verweerder op 8 september 2010, bezwaar gemaakt.
Bij brief van 22 september 2010 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het verzoek is op 26 oktober 2010 ter zitting behandeld.
Verzoeker is in persoon verschenen, tezamen met [C].
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [D].
Belanghebbende is in persoon verschenen, bijgestaan door [E].

Na afloop van de zitting heeft verzoeker bij brief van 2 november 2010 een verzoek tot wraking ingediend. Dit verzoek is bij beschikking van deze rechtbank van 30 november 2010 afgewezen, waarna de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening is voortgezet.

II OVERWEGINGEN
De voorzieningenrechter kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor een beslissing in beroep.

Vanaf november 2009 heeft verzoeker, mede namens verschillende buren, diverse verzoeken bij verweerder ingediend om handhavend op te treden jegens belanghebbende, wegens de overlast die wordt veroorzaakt door het gebruik van diens houtkachel.

Verzoeker, wonende aan [adres 2] te [plaats], op een afstand van ongeveer 45 meter van de woning van belanghebbende, betoogt dat hij hyperreactief is voor houtrook. Hij ondervindt met name overlast bij zuid-, zuidoosten- en oostenwind en bij weinig tot geen wind. Deze overlast bestaat niet alleen uit stank, maar ook uit irritatie van de luchtwegen en gezichtsholtes. Omdat belanghebbende vanaf oktober de hele dag zijn houtkachel aan heeft, kan verzoeker zijn woning niet ventileren, terwijl dit juist vanwege klachten aan de luchtwegen noodzakelijk is.
Verzoeker staat een algeheel stookverbod voor dan wel een gedeeltelijk stookverbod bij voor hem ongunstige weerssituaties.

Belanghebbende heeft ongeveer anderhalf jaar geleden zijn woning aan de [adres 1] te [plaats] gekocht. Hij heeft een houtkachel geïnstalleerd om zijn woning te verwarmen. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij inmiddels twee gaskachels in gebruik heeft. De houtkachel wordt nog gebruikt voor het verwarmen van de achterkamer.

Ingevolge artikel 7.3.2 van de Bouwverordening van de gemeente Gouda, voor zover hier thans van belang, is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid.
Het vorenstaande is niet van toepassing indienen voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.

Naar aanleiding van de handhavingsverzoeken heeft verweerder op 15 december 2009 met verzoeker een informeel gesprek gevoerd over de situatie en een mogelijke oplossing.
Vervolgens is een buurtbemiddelingsbureau ingeschakeld om te zien of het geschil via bemiddeling kon worden opgelost. Verzoeker heeft niet deelgenomen aan deze gesprekken. Tijdens dit traject heeftverweerder zich onthouden van een formeel standpunt. Gebleken is dat degenen die hebben deelgenomen aan de bemiddeling vervolgens geen klachten meer hebben ingediend.

Aangezien verzoeker vasthield aan zijn verzoek handhavend op te treden, is op 11 augustus 2010 een constateringsrapportage opgemaakt. Hierin wordt gemeld dat de houtkachel wordt gebruikt als hoofdverwarming. Deze wordt twee keer per jaar schoongemaakt. Er wordt geen bewerkt hout gebruikt om te stoken. Naar aanleiding van deze rapportage isverweerder tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een overtreding van de Bouwverordening.
In het besluit van 18 augustus 2010 heeft verweerder het verzoek om handhaving dan ook afgewezen. Aan het besluit is ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van objectiveerbare hinder.

Wel heeft verweerder belanghebbende bij brief van eveneens 18 augustus 2010 verzocht zich te houden aan een zestal regels voor goed stookgedrag. Belanghebbende wordt in deze brief dringend verzocht rekening te houdenmet de belangen van nabije bewoners en de in de brief geformuleerde regels in acht te nemen. Verweerder heeft ter zitting erkend dat een dergelijk verzoek niet afdwingbaar is.

Belanghebbende heeft meegedeeld dat hij bezig is met een verbouwing. Het is de bedoeling dat na de verbouwing een CV-installatie wordt aangebracht ten behoeve van hoofdverwarming. De houtkachel zal wel blijven, maar incidenteel worden gebruikt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpuntheeft gesteld dat de beoordeling of sprake is van hinder als bedoeld in artikel 7.3.2 van de Bouwverordening dient te geschieden aan de hand van algemene maatstaven. Een bijzondere gevoeligheid voor een bepaald type hinder kan niet als een dergelijke maatstaf worden aangemerkt. Dat laat evenwel onverlet dat in een geval als het onderhavige gedegen onderzoek door een ter zake deskundige van buiten moet plaatsvinden ten aanzien van de gestelde hinder. Het is immers, gelet op de rechtspraak ten aanzien van handhavingsverzoeken met betrekking tot hinder van houtkachels, verre van ondenkbaar dat zich hinder voordoet. Niet kan worden volstaan met een bezoek ter plaatse in een jaargetij waarin niet wordt gestookt en een gesprek met belanghebbende en enige omwonenden. Dat verzoeker zich niet heeft gevoegd in het bemiddelingstraject en na afloop van dat traject als enige nog klaagt, is een ontoereikende basis voor de conclusie dat er geen sprake is van hinder. Evenmin is daartoe voldoende dat de hinder mogelijk (eveneens) door andere bronnen wordt veroorzaakt.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb .

Nu verweerder dit gebrek in de bezwaarprocedure kan herstellen en nu niet op voorhand kan worden geconcludeerd dat sprake is van hinder als bedoeld in artikel 7.3.2 van de Bouwverordening, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorziening.

Ter voorlichting van verzoeker overweegt de voorzieningenrechter nog, dat, indien zou blijken van een overtreding van de Bouwverordening op dit punt, op verweerder een beginselplicht tot handhaving rust. Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot handhaving zal verweerder alle daarbij betrokken belangen tegen elkaar dienen af te wegen, dat wil zeggen de openbare belangen, die van verzoeker en die van de overtreder.

Nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING
Devoorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier S.V. de Bart-van der Vegte.

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2010.