Fijnstof van houtrook discussie door deskundigen.

luc

BRON

fijnstof: de norm wordt gehaald, maar dat betekent niet dat het gezond is

Het vergelijken van gemeten of berekende concentraties met beleidsmatig gestelde grenswaarden geeft maar weinig inzicht in mogelijke effecten van stoffen op de volksgezondheid. Dit is opvallend, want deze grenswaarden zijn juist afgeleid met het doel om de volksgezondheid te beschermen. Bij de evaluatie van emissiereducerende maatregelen zou daarom niet alleen gekeken moeten worden of de grenswaarden worden gehaald, maar zouden mogelijke gezondheidseffecten expliciet in de evaluatie moeten worden meegewogen. Deze conclusies worden getrokken in het proefschrift van Loes Geelen (http://www.ru.nl/@918215/pagina/).

Het wordt steeds duidelijker dat EC (elementair koolstof) een goede indicator is voor de gezondheidsschadende effecten van wegverkeer. EC concentraties kunnen met verspreidingsmodellen, zoals Geomilieu, al standaard worden berekend. Het doorvertalen van EC concentraties naar bijvoorbeeld DALYs, ziektelast, maatschappelijke kosten, verlies (of juist de winst) aan gezonde levensjaren is ook goed mogelijk. De vraag is nu echter op welke wijze we het meewegen van gezondheidseffecten in het beleid moeten inbedden, zodanig dat het zowel voor beleidsmakers en voor burgers informatief en aansprekend is. Wat zijn jullie ideeën hierover?

Discussie

Gerard Kos • De openingszin in het persbericht over het proefschrift “Niet kankerverwekkende stoffen in de lucht maar fijnstof zorgt voor de meeste slachtoffers” is een contradictio in terminis en daarom verwarrend voor het publiek. Immers, juist ook in fijnstof zitten kankerverwekkende stoffen, naast bijtende en irriterende stoffen, oxidatieve ontstekingsbevorderende stoffen en bloeddrukverhogende stoffen. Het is dan ook van belang dat de complete boodschap gelezen wordt, ook door het grote publiek.

Er wordt in de informatie die nu in het bericht staat naar het verkeer verwezen als bron van ultrafijn stof dat het meeste effect op de gezondheid zou hebben. Graag wil ik er op wijzen dat in toenemende mate woonkernen te maken krijgen met niet alleen lokaal verkeer, maar ook met pluimen van houtverbranding die volkomen buiten zicht zijn van de bepaling van de luchtkwaliteitskaarten voor de regio’s. Bestaande meetlocaties zijn te beperkt en staan meestal of te landelijk of te grootstedelijk of ergens langs een drukke verkeersweg. Voor minder grote steden en andere agglomeraties ontbreken de juiste meetgegevens en de juiste modelleringstools. In de gebruikte modellen voor het bepalen van de lokale luchtkwaliteit 9als die al gebruikt worden) zit namelijk geen module houtrook. Onderzoek heeft aangetoond dat houtrook niet onder doet voor dieselrook v.w.b. gezondheidsschadelijkheid en juist in woonwijken kunnen we te maken hebben met ongecontroleerde emissies als gevolg van houtverbranding, waarbij zeer variabele maar ook extreme blootstellingen kunnen optreden.
Ik ben het dus zeker eens met de conclusie van het proefschrift van Loes Geelen:
“Bij de evaluatie van emissiereducerende maatregelen zou daarom niet alleen gekeken moeten worden of de grenswaarden worden gehaald, maar zouden mogelijke gezondheidseffecten expliciet in de evaluatie moeten worden meegewogen.”

Laten we vooral ook beginnen met het vaststellen waar en in hoeverre de gevaarlijkste componenten van fijnstof de bevolking kunnen bereiken, zodat te treffen maatregelen voor de gehele bevolking hout snijden.

————————————————————->
Hans Erbrinkhans E • dr at KEMA Nederland

Naast de gezondheidsbezwaren, is houtstook ook al nummer 1 voor geurhinder.
Al die kachels en haarden blijven nu teveel onder de radar van het beleid.
Er wordt nagedacht over milieuzones voor verkeer in binnensteden. Die kosten miljoenen, maar misschien is het handiger wat aan die houtstook te doen.
In diverse landen (Belgie, Duitsland, VS) is al meer aandacht voor de houtstook problematiek en is al een aantal maatregelen in gang gezet (bv. verbod op houtstook bij problematisch weer).

————————————————————>

Gerard Kos • Inderdaad Hans, na het afschaffen van de reguleringen in Nederland betreffende houtkachels (die al summier waren t.o.v. andere landen) is er niets meer in de plaats gekomen daarvoor nationaal gezien. Het open stellen van de markt voor alle typen houtkachels – hoe slecht dan ook, de zogenaamde bouwmarktkachels – was een Europees besluit om alle Europese kachelmakers toegang tot de markt te verschaffen, economisch gemotiveerd dus. Veel landen hebben echter het besluit genomen om hun eigen weg (te blijven) bewandelen qua wetgeving en reguleringen en lokale overheden aldaar gaan vaak nog een stap verder. juist ook om te vermijden dat milieuzones ingesteld moeten worden. Ik heb mij laatst eveneens verdiept in al deze buitenlandse maatregelen en ze zijn in feite contra aan het Nederlandse beleid vanaf 2004. Het wordt tijd dat ook in Nederland slecht stookgedrag en slechte houtkachels goed in kaart gebracht en liefst uitgebannen worden. Ik hoor alle geruime tijd (jaren) geruchten dat er een nieuw Europees beleid zou komen aangaande dit probleem. Blijkbaar zit daar nog weinig progressie in.Er wordt in de informatie die nu in het bericht staat naar het verkeer verwezen als bron van ultrafijn stof dat het meeste effect op de gezondheid zou hebben. Graag wil ik er op wijzen dat in toenemende mate woonkernen te maken krijgen met niet alleen lokaal verkeer, maar ook met pluimen van houtverbranding die volkomen buiten zicht zijn van de bepaling van de luchtkwaliteitskaarten voor de regio’s. Bestaande meetlocaties zijn te beperkt en staan meestal of te landelijk of te grootstedelijk of ergens langs een drukke verkeersweg. Voor minder grote steden en andere woonagglomeraties ontbrreken de juiste meetgegevens en de juiste modelleringstools. In de gebruikte modellen voor het bepalen van de lokale luchtkwaliteit als die al gebruikt worden) zit namelijk geen module houtrook. Onderzoek heeft aangetoond dat houtrook niet onder doet voor dieselrook v.w.b. gezondheidsschadelijkheid en juist in woonwijken kunnen we te maken hebben met ongecontroleerde emissies als gevolg van houtverbranding, waarbij zeer variabele maar ook extreme blootstellingen kunnen optreden.
Ik ben het dus zeker eens met de conclusie van het proefschrift van Loes Geelen:
“Bij de evaluatie van emissiereducerende maatregelen zou daarom niet alleen gekeken moeten worden of de grenswaarden worden gehaald, maar zouden mogelijke gezondheidseffecten expliciet in de evaluatie moeten worden meegewogen.”

————————————————->

Hans Erbrink • In de officiele docs (het onderzoek programma fijn stof) lees je ook dat: “In bosachtig gebied waar veel hout voorhanden is, zijn incidenteel nog hogere bijdragen door houtverbranding aan fijn stof gemeten tot wel 6 μg/m3 gemiddeld per maand..”
Dat ziet er dan al serieus uit. Heel lokaal kan het best hoger zijn en dan heb je het over een serieus probleem, dat nog te weinig in kaart is gebracht. Voor stallen wordt van alles in stelling gebracht om overschrijdingen tegen te gaan. Houtstook lijkt me dan een minstens even grote issue en wellicht meer relevant, want stal emissies zijn geen verbrandingsemissies en (daarom?) minder schadelijk?

—————————————————–>

Frans Fierens • fransHet DALY concept is niet nieuw natuurlijk. Ook onderzoek in Vlaanderen toont aan dat fijn stof de meest gezondheidsschadelijke milieufactor is. In een vergelijking van de impact van verschillende milieufactoren op gezondheid, is fijn stof goed voor ongeveer drie kwart van de ziektelast. Zie :http://www.milieurapport.be/nl/nieuws/archiefnieuwsberichten/inschatting-ziektelast-en-externe-kosten-veroorzaakt-door-milieufactoren/

———————————–>

MMN: Kijkt u maar eens op www.houtrook.nl
Deze site zou uw hulp en kennis goed kunnen gebruiken.

————————————–>

R Snoek • Het meest vervelende is de ontkenning van het probleem. Indien je stankoverlast ondervindt van een houtkachel zou art 7.22 van het bouwbesluit juli 2012 gehandhaafd moeten worden.
Voor zover bekend schiet elke gemeente waar een klacht wordt ingediend direct in de ontkenningsfase en dient de klager via de rechter af te dwingen dat de gemeente actie onderneemt.
Zelf ondervind ik reeds 10 jaar overlast in de keuken, woonkamer en slaapkamer. (en uiteraard de tuin). Klachten zijn een loopneus, prikkende ogen en hoofdpijn.
De stoker gebruikt zijn kachel als hoofdverwarming waardoor deze kachel bijna altijd staat te smeulen.
Gemeente doet alles om maar niet te constateren. En zolang ze niets constateren kan de stoker doorgaan.

——————————–>

Nog een site met veel info www.netwerkhoutrook.nl

Trinette Janssen • Het persbericht van de promotie van mevrouw Geelen bevatte de bewering dat 99,9% van het ons omringende fijn stof afkomstig is van het verkeer. Daarover heb ik contact opgenomen met mw. Geelen. Ik wees haar op de bijdrage van fijn stof uit houtverbranding. Ze zou de foute voorlichting in het persbericht bijstellen. Ik heb o.a. het onderzoek van Gerard Kos toegezonden aan mw. Geelen.
In Nederland wordt door alle overheids instanties het probleem niet alleen te vuur en te zwaard ontkend, maar de schaarse onderzoeksgegevens worden met arbitraire argumenten ontkracht. Zie ook de recente antwoorden op Kamervragen van staatssecretaris Wilma Mansveld. Daarin beweert ze zelfs dat gemeenten regels in hun APV kunnen opnemen tegen houtrookoverlast. Niet wetende dat er al een artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 bestaat dat rookoverlast kort en goed verbiedt. Hiervoor, in 2008, heeft Remi Poppe (SP) al eens Kamervragen over rookoverlast gesteld. De antwoorden waren even onthutsend als nu. Er werd een rapport van TNO aangehaald, waarvan de auteur zelf beweerde dat de inhoud niet klopte. Niettemin werd het (wan)beleid daardoor bepaald. In bestuursrechtelijke procedures bepalen gemeenten op eigen houtje wat “de bedoeling is van artikel 7.22”. Met als resultaat dat “een beetje rook” geen overlast is “in de zin van art. 7.22”. En de doorsnee rechter praat dit na. Ook al wordt a.d.h. van veel wetenschappelijke rapporten aannemelijk gemaakt, hoe gevaarlijk houtrook voor de gezondheid is.
Gelukkig heeft het Hof voor de Rechten van de Mens al één van deze zaken voor nader onderzoek geaccepteerd. Binnenkort volgen er meer. De motivaties in al deze dossiers zijn van een schrikbarend laag niveau.
Trinette Janssen

————————————–>

Gerard Kos • Hierbij splen twee dingen een rol. Ten eerste hoe je schadelijkheidsequivalenten toekent aan de verschillende bestanddelen van fijn stof en ten tweede of je de fijnstofgehalten op nationaal (inclusief omgeving waar niemand woont of werkt) of op lokaal niveau bekijkt.

De schadelijkheid van fijnstof kan o.a. bepaald worden met oxidatief potentieel (OP). Als ammoniumnitraat (het hoofdbestanddeel van fijnstof nationaal gezien) een veel lager OP-gehalte heeft dan de teren (waarin de PAC’s en de PAN’s) in houtrook en uitlaatgassen, dan gaat het vooral om de verhouding tussen het directe aerosol uitgestoten door diesels en het directe aerosol uitgestoten door houtverbranding. Het is voor iedereen die zich enigszins verdiept heeft in de bijdrage van houtrook en diesels duidelijk dat 99.9 procent bijdrage door diesels aan het directe meest schadelijke aerosol niet correct is. Hoe de verhouding werkelijk ligt is nader te bepalen aan de hand van tracers in EC/OC-component van fijnstof. Levoglucosan galactosan en mannosan zijn de stoffen die je dan moet onderzoeken. Liefst moet je dat lokaal per gemeente doen in de woonagglomeraties en de werkomgeving. Dan weet je de verhouding in de leefomgeving van de mensen. In andere landen heeft men dit soort onderzoek al uitgebreider gedaan. Nu is er in sommige landen meer houtstook dan bij ons, maar niettemin is de uitkomst dermate duidelijk dat je grote vraagtekens mag zetten bij de beweerde 99.9% bijdrage door verkeer (ook voor het totaal) Aangetoond is (in het buitenland) dat er gemeenten zijn waar het overgrote deel van het fijnstof afkomstig is van houtverbranding. Het onderzoek in Schoorl is te beperkt geweest om een vertaalslag naar het hele jaar en zeker naar nationaal niveau te maken.

In het kader van het nationale BOP-programma is een poging gedaan om te kijken naar het aandeel van houtrook in fijnstof op niet-belaste locaties of locaties waar verkeer dominant is (grootstedelijk). Ik kom daar later nog op terug.

————————————–>

Deeltjes van rond 0.1 tot 0.5 um -zijn altijd het moeilijkst weg te vangen door filtersystemen, om het even welke (vezels of elektrostatische). Juist in dat gebied zal veel van de houtrook zich bevinden qua deeltjesgrootte. Verder heb ik me weinig verdiept in de betrouwbaarheid en bedrijfsduur van de filtersystemen, persoonlijke communicatie van een filterfabrikant gaf aan dat er vaak na korte tijd al problemen zijn, verstoppen en/of invreten door agressieve stoffen.Het model stacks komt niet tot – gemiddeld genomen – zeer bijzonder hoge concentraties over lange termijn gezien. Daarbij is wel een en ander op te merken:De uitgangspunten en wat kan daarvan in het/een model gestopt worden: aantal huishoudens in een wijk met houtkachel, type houtkachel, uren stoken per kachel, wijze van stoken, materiaal dat verstookt wordt, overheersende windrichting (pluim, geen alzijdige verspreiding), lijwervels, doortochtbelemmerende landschapselelmenten, inversie (bijstoken in voor- en naseizoen gebeurt vaak a/h einde van de middag en ‘s avonds bij sterke afkoeling door hogedrukweer en dus bij lage inversie).
Hoe zit dat allemaal in het/een model?Om te beginnen, ik heb meer opmerkingen t.a.v. samenstelling fijnstof, ik kom daar later mee.
van Gerard Kos—————————->

Ik heb een nieuwe berekening uitgevoerd voor een extreme situatie: je vijf buren ten zuid westen van je zijn heftige stokers (jij zit ten noord oosten van ze en dat is ongunstig want in Nederland is de overheersende windrichting zuid west). Deze vijf huizen stoken gedurende 8 maanden per jaar elke dag van 7AM tot 1AM en dan ook nog eens met slechte kachels. Ik heb niet 4 gram PM2.5 per stookuur genomen (zoals het RIVM aangeeft), maar 8 gram PM2.5 per stookuur. Als noord oostelijke buurman krijgt je dan de volle laag, zijnde:
– voor 10 uur per jaar (0.1% van de tijd / 99.9-percentiel) ligt de PM2.5 concentratie boven 150 ug/m3.
– voor 175 uur per jaar (2% van de tijd / 98-percentiel) ligt de PM2.5 concentratie boven 55 ug/m3.
– voor 875 uur per jaar (10% van de tijd / 90-percentiel) ligt de PM2.5 concentratie boven 22 ug/m3.
– de jaargemiddelde PM2.5 concentratie ten gevolge van de houtstook bedraagt 0.7 ug/m3Inderdaad: meten is weten. Dit is niet de expertise van DNV KEMA, maar wij zouden graag de meetlocatie in het STACKS model willen stoppen en een modelvalidatie en indien nodig een -calibratie uitvoeren. De vraag is natuurlijk: wie gaat zo’n meetcampagne betalen? En worden de resultaten dan ook (als daar aanleiding voor is) doorvertaald naar beleid?@ Gerard Kos, alle punten die jij noemt zitten in het STACKS model (database met uurlijkse meteorologie van 1995 tot nu, lijwervels, inversie, etc) of kunnen in een scenario ingebracht worden (aantal huishoudens in een wijk met houtkachel, type houtkachel, uren stoken per kachel, wijze van stoken, materiaal dat verstookt wordt –> dit laat zich nl. allemaal vertalen in een emissiesterkte per uur). Alleen doortochtbelemmerende landschapselelmenten is iets waar STACKS slecht rekening mee kan houden, dan zou je je toevlucht moeten zoeken tot (duurdere) windtunnelproeven of CFD-berekeningen.
van Luc Verhees—————————->

In onze wijk zijn er binnen een straal van 300 meter 17 hout stokers, overigens niet alle even actief als onze directe buren.
Overigens is ook in de zomer het PM 2,5 nogal eens aan de hoge kant, met name bij langdurige droogte.

Bij mijn metingen heb ik ook een vergelijking gemaakt met de dagelijks gemeten PM 10 waarden van drie rivm stations in de omgeving, die op achtergrond locaties staan. Er is geen enkele relatie te vinden.
De eerdere opmerking van Gerard K. hierover is dan ook correct.
De vervuiling van hout stoken blijft onder de radar, hetgeen ook logisch is, het gaat om puntbronnen waarvan de invloed juist in de directe omgeving sterk waarneembaar is.
Ik vind het onbegrijpelijk dat de overheid geen geld stopt in uitgebreid onderzoek naar hetgeen in woongebied plaats vindt, juist omdat we daar het meest verblijven.Ik heb voor de aardigheid eens een aantal keren op een afstand van enkele tientallen meters van de A-7 bij goed doorstromend druk verkeer PM 2,5 gemeten op dezelfde afstand van die van de schoorsteen van de buren, een en ander met naar me toe gerichte wind.
Ruw weg is er dan sprake van een verhoging t.o.v. een paar kilometer verder in de orde van enkele tientallen procenten, waar het bij het hout stoken met enige regelmaat om een verhoging van honderden procenten gaat.
We beschouwen het als ongezond om dichtbij intensief verkeer te wonen, maar naast intensieve hout stokers verblijven krijgt geen aandacht.
van Jan Cate
————————->

@Jan In dat licht bezien is het van de zotte dat scholen niet dicht bij een verkeersader gebouwd mogen worden maar wel in een woonwijk.
Hier hebben we in de directe omgeving 7 kachels, in veel straten ligt dit getal hoger. Deze week buren verzocht om wat aan de stank te doen, de buitentemperatuur was 19,9 graden. Zelfs bij die temperatuur kunnen de ramen niet open.
van R Snoek

————————->

Bedankt Luc, voor het inzichtelijk maken van de laatste berekening. Het ontbreken van landschapselementen in het model maar wel aanwezig zijn van lijwervels verbaast me. Een lijwervel ontstaat namelijk door het landschapselement “huizenblok” veronderstellende dat alle obstakels boven de vlakke aarde tot landschapselementen behoren. Misschien kan je dat nog wat toelichten?De meetcampagne die je voor ogen hebt heeft al eens plaats gevonden: in Schoorl (*) is al eens gemeten en op basis van levoglucosangehalte is de houtrookbijdage voor PM10 en PM2.5 berekend, het probleem is alleen dat het onbekend is hoeveel en hoe lang kachels in de omgeving gebruikt zijn in die meetperiode. Voor een koppeling van de metingen met het STACKS-model is die informatie van wezenlijk belang.Een maand per jaar 22 ug/m^3 is een zeer aanzienlijke verhoging van de PM2.5-waarde, zeker als je bedenkt dat er in het geheel geen rekening gehouden is met de mate van toxiciteit en irriterend/prikkelend vermogen van de rook.De huidige PM10- en PM2.5-grenswaarden zijn gebaseerd op totaalstof en die bestaat voor een groot deel uit zout(PM2.5 en PM10) en opwaaiend stof (PM10) en zeezout.
In zeer verkeersdrukke omgeving komt er naar schatting 5 ug/m^3 aan direct aerosol uit de uitlaat bij (vooral NOx is het probleem qua hoeveelheid en norm in de directe nabijheid van het verkeer). Direct aerosol niet qua hoeveelheid, gezien de norm (maar wel weer omdat het boven op de achtergrondconcentratie komt), de samenstelling doet er echter het meest toe, net als bij houtrook.Hoe verhoudt zich nu het directe aerosol van het verkeer zich met (direct aerosol van) houtrook?Ik schat in dat in de woonwijk die *niet* vlak langs een verkeersdrukke weg ligt of binnen een grote stad met veel verkeer rondom, het directe verkeersaerosol rond 2 ug/m^3 blijft op jaarbasis (**) en dat is dan niet veel verschillend met de hoeveelheid houtrook in een wijk waar veel gestookt wordt.
Dit dus volgens de voorlopige uitkomst van het STACK-model voor de geschetste situatie en de over jaren verzamelde kennis over de luchtkwaliteit t.a.v. fijn stof. Het blijft lastig om het exacter of met een bepaalde zekerheid aan te geven. Inderdaad: meten is weten en een model uitontwikkelen vereist interactie tussen model en metingen.Voor het verbeteren van verkeersemissiemodellen is dit wel gebeurd, zodat iedere gemeente kan berekenen hoe de belasting van de bevolking naar beste schatting zal zijn vanwege het verkeer. Hoe de totale belasting van de bewoners zal zijn – dus inclusief houtrookblootstelling – hebben gemeenten in Nederland niet bepaald voor zover ik weet. Dit om diverse redenen: de gegevens van (aantal en type) stookpunten en stookuren ontbreken, ze kennen het (ongekalibreerde) STACKS-model niet, ze onderkennen het probleem niet en ze hebben geen verplichting het in kaart te brengen. Vervolgens hoeven er ook geen maatregelen genomen te worden.Overigens blijft het een probleem dat er alleen naar totaalstof PM10 gekeken wordt en dat het er nog steeds niet toe doet waar het aerosol uit bestaat. Schadelijkheidsequivalenten aan componenten van aerosol toekennen, of lagere concentratienormen voor bepaalde stoffen instellen kan tot een betere bescherming van de bevolking leiden.(Ook zou er een norm voor deeltjesaantallen moeten komen, maar dat lijkt voorlopig nog ver weg in Europa).(*) https://www.ecn.nl/publicaties/default.aspx?nr=ECN-E–09-083(**) Fijn stof in Nederland: stand van zaken en beleidsimplicaties na het tweede BOP-onderzoeksprogramma (RIVM/ECN/TNO)
van Gerard Kos————————————>

Jan C. kan je nog eens aangeven met welk meetinstrument je deze metingen hebt gedaan? Misschien noemde je het al eens, maar voor de duidelijkheid in deze discussie kan het geen kwaad om te weten wat het apparaatje wel en niet kan.
van Gerard Kos————————————->

Luc, jammer dat je alleen het voorbeeld van de berekening met een onrealistisch kort stookseizoen en lage bezettingsgraad gepubliceerd heb onder je profiel. Mijn ervaring is dat er in september al begonnen wordt ipv november en het gaat door tot mei/juni. Alleen is het zo dat de stookperiodes meer tot de vroege ochtend en de avond beperkt zijn in voor- en naseizoen. In de zomermaanden beginnen dan de vuurkorven weer mee te spelen, maar dat valt nu buiten de discussie (maar is een orde hoger in concentratie, heel erg dus).Verder is de meteorologie van groot belang. 2012 geeft een veel gunstiger beeld voor de RIVM-stations in Nederland dan het gemiddelde over 7 jaar (incl 2012). Een factor 1.7 tot 1.8 lagere concentraties! Dat een beetje te maken met aflopende concentraties maar vooral met meteorologie. 2011 gaf bijvoorbeeld juist een hogere concentratie dan de voorgaand ejaren te zien. Je hebt dus een relatief gunstig jaar genomen, wat de uitkomst nog eens extra gunstig beinvloedt.Ik zou de laatste berekening wel eens willen zien voor een jaar als 2011 bijvoorbeeld, dan heb je echt een worst case scenario, dat t.o.v. het geflatteerde eerste rekenvoorbeeld.
van Gerard Kos———————–>

@Gerard K. Roerend met je eens als het gaat om de lengte van het stookseizoen, dat begint meestal half september en duurt vaak tot half mei.
Het CBS gemiddelde is 572 uur, mijn buren stoken een factor 5,88 maal zoveel. De gebruikte meter is een Dylos DC1700, het moest een beetje betaalbaar blijven. Het gaat me overigens in mindere mate om exacte getallen. Ik vind het minstens zo belangrijk om te weten in hoeverre de reeds aanwezige achtergrond vervuiling procentueel wordt verhoogd.
Dat is vast te stellen door bij herhaling en over langere tijd steeds vlak voor het stoken en tijdens het stoken te meten.
Dat doe ik nu bijna een jaar.
van Jan Cate—————->

Ik kom nog even op het verschil in concentraties landelijk gezien zoals gemeten is door RIVM-LML. Ik heb even snel de overschrijdingsdagen als leidraad genomen, beter is het natuurlijk om de werkelijke gemiddelde concentratie van jaar tot jaar te nemen, dan is de (meteorologische) factor wel een stuk lager.
van Gerard Kos—————>

@ Gerard et al.
Het is geen probleem om de fictieve wijk nogmaals door te rekenen met andere inputgegevens (ik weet veel van het het STACKS verspreidingsmodel, maar niet van houtstook, dus jullie input is gewenst). Daar gaan we dan, ik neem:
– stookseizoen van september t/m mei (9 maanden)
– als (meteo) periode neem ik niet 2012 maar 2003-2012 (10 jaar), oké?
– wat houd ik aan voor het aantal stookuren (gemiddeld per huis) gedurende deze 9 maanden van het stookseizoen?
– ik houd de PM2.5 emissie aan van het RIVM: 4 gram per stookuur. Of is deze emissie te laag volgens jullie?
– in mijn eerdere berekening stookte 1 op de 5 huizen, wat maak ik daarvan?Over landschapselementen en lijwervels in het model het volgende:
STACKS is een implementatie van het NNM (Nieuw Nationaal Model), zie www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/luchtkwaliteit/rekenen-meten/nnm/paarse-boekje
In het NNM kan kan rekening gehouden worden met de invloed van één rechthoekig dominant gebouw op de verspreiding van de rookgassen van een bron (voor elke bron kan er dus een andere dominant gebouw zijn). Dat dominante gebouw is in dit geval het huis waar de schoorsteen op staat. De rookgassen kunnen in de lijwervel van het gebouw getrokken worden, daar houdt het NNM allemaal rekening mee, maar niet met de invloed van andere huizen, bomen, landschapselementen op de verspreiding van de rookgassen. Tsja, het is maar een model (zie ook paragraaf 5.3.1 t/m 5.3.4 van de handreiking van het NNM: www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/luchtkwaliteit/rekenen-meten/nnm/handreiking-nieuw-0/). De veel complexere CDF-modellen (Computational Fluid Dynamics) kunnen hier wel rekening mee houden, maar dan ben je veel meer tijd (en geld) kwijt om het te modelleren.
van Luc Verhees———————->

Van de 130 kachels on ons dorp worden naar schatting 30 voor hoofdverwarming gebruikt, 50 worden vooral in de avond- en weekenduren gebruikt en de rest is er met name voor de sier.
Het is lastig om daar een gemiddeld aantal stookuren aan te koppelen.
Voor de uitstoot heb ik zeer verschillende getallen gelezen, varierend van 3 tot 15 gram per kg gestookt hout; ook de schattingen voor het gemiddeld uur gebruik lopen nogal uiteen van 1,8 tot 2,4 kg voor een gewone vrijstaande kachel (niet hr).
Lengte seizoen en meteo ok.Correctie, in ons dorp en uurverbruik.
Ik heb sterk de indruk dat in een landelijke houtrijke omgeving het gebruik van de houtkachel intensiever is.
In een landelijke omgeving lijkt me het CBS gemiddelde van 572 aan de lage kant.
Mag ik vragen hoe de carcinogene en mutagene stoffen in houtrook in een model verwerkt gaan worden? Wat gebeurt er met de vluchtige stoffen?
Benzo(a)pyreen bijv. komt procentueel verreweg het meest voor in houtrook; gaat een dergelijk gegeven ook in het model verwerkt worden?
En welk percentage wordt er aan gehouden voor slecht en matig stook gedrag dat kan leiden tot een uitstoot vermeerdering van 20 rot 200 maal?van Jan Cate—————->

Bij ons is – naar schatting – het aantal houtkachels ca. 1 op 4 en daarvan zal de helft ongeveer heel frequent stoken, de rest eens per 2 dagen (heel lastig dit zonder enquete goed vast te stellen). De emissie is eveneens een gooi, maar acht slaand op de pluimen en de vaak slechte stijging hebben we nogal wat slechte stokers, dus dan kom je tussen 5 en 30 gram terecht, zeg 15 gram/kg gemiddeld. Hoeveelheid houtverbruik gemiddeld over alle maanden minus juni juli augustus? Ca. 3 kg/dag dat is 45 gram/dag en dan bij 8 uur stoken kom je op 5,5 gram/uur.
Je ziet het, allemaal nattevingerwerk, maar altijd aardig om er een gooi naar te doen. Liever uiteraard een gedegen onderzoek waarbij ook schoorsteenemissies daadwerkelijk vastgesteld worden bij werkelijke situaties, bij amateurstokers.
Dan is het de vraag wat de halfvluchtige teren doen. In de onderzoeken die gedaan zijn om emissies te bepalen, zijn die wellicht niet koud bemonsterd (je wilt immers geen condensaat op het filter) waardoor je potentieel aerosol mist.
van Gerard Kos
——————->

@ dank je Gerard, ik ga binnenkort een nieuwe berekening maken. Zoals je al zegt: natte vinger werk, maar het is zeker bruikbaar om de orde van grootte van de concentraties vast te stellen.@ Jan: hoe carcinogene en mutagene stoffen in houtrook in een model verwerkt gaan worden? Antwoord: niet, ik bereken nu PM2.5. Als je BaP emissiekentallen hebt kan ik die trouwens ook doorrekenen.
En het is inderdaad handiger als je alle opmerkingen in een reactie plaatst.
van Luc Verhees————>

Uitgaand van 572 stookuren in 9 maanden, hetgeen neer komt op ruim twee uur per dag en een verbruik van 2 kg per uur, met een uitstoot van 15 gram per kg, kom ik uit op 60 gram.
van Jan Cate————–>

Ik zou rekenen met 250 tot 300 dagen per jaar en 15 uur per dag.
Dat is wat ik in mijn omgeving zie.

@Jan En dus is die groep mensen die elke dag vol in de stank en de luchtvervuiling zit niet belangrijk omdat het gemiddelde wel meevalt. Zo redeneert onze overheid ook.
van R Snoek—————>

Er is een CBS rapport 2010 over het houtverbruik bij huishoudens.
Aan de hand van eerder onderzoek, t.w. van TNO en Woononderzoek, zijn er schattingen gemaakt.
Daarin komt ook naar voren dat er slechts weinig harde gegevens over dit onderwerp bekend zijn.
Misschien is het handig om ook daar nog eens naar te kijken.
Blijft dat het gemiddeld gebruik van de kachel bepalen aan de hand van zo weinig onderzoek de nodige onzekerheid met zich brengt.
van Jan Cate———–>

Studiedag houtverbranding – 2 & 3 decemberhttp://www.vmm.be/evenementenmap/studiedag-houtverbranding-2013-2-3-december
van Dave Jonge————>

In de reacties bemerk ik heel veel stimulerende en verstandige opmerkingen, die allemaal hout snijden. Wat de buren van de stokers nodig hebben is echter een houvast om eindelijk te worden verlost van de irriterende en hun gezondheid ondermijnende rook van de stokende buren, Als particulier kan je hard werken en je stinkende best doen om iets te bereiken. Ongetwijfeld zal het iets opleveren. Veel beter zou het zijn als een aantal wetenschappers, longartsen en cardiologen samen zouden optrekken om een aantal zodanig indrukwekkende publicaties te doen, dat alle schoorstenen gesloten worden en de zwarte pieten vanzelf niet zwart meer worden. Ik geef er maar een komische noot aan. Ik bedoel het uiteraard bloedserieus, waarbij ik het succes van de publicaties graag net zo dominant zou willen zien als al het gekrakeel dat nu rondom ons jaarlijkse kinderfeest op 5 december in alle media verschijnt.
van Jos Merks——————->

Wat ik vooral storend vind is dat het Longfonds (voorheen Astmafonds) zich te weinig meer richt op de luchtkwaliteit in de woonomgeving van hun belangengroep (voor wat betreft houtstook). Zij zouden juist vooraan moeten staan in het aandacht vragen voor de problematiek rond de houtkachels en helpen het beter in kaart te (laten) brengen daarvan.
van Gerard Kos—————>

Misschien komt het goed – met het meehelpen in kaart te (laten) brengen – in en na de volgende bijeenkomst:https://www.longfonds.nl/studiemiddag# !want er is al enige aandacht ook voor:https://www.longfonds.nl/over-longen/astma/leven-met-astma/prikkels-vermijden/rookmaar dat is verre van genoeg, want dat zijn de vrijblijvende suggesties die overal ook van overheidswege gedaan worden: praat eens met de buren of ze iets minder willen vervuilen. Daarmee komen we er echt niet. Goed in kaart brengen, de overheid van de feiten doordringen en op landelijk en gemeentelijk niveau tot beleid en maatregelen komen.
van Gerard Kos—————>

Het Longfonds en andere grote instanties gaan volstrekt geen voortrekkersrol spelen in het probleem van de houtrookoverlast. Vorig jaar zijn wij op het hoofdkantoor op bezoek geweest. Het antwoord was, dat organisaties als Milieudefensie veel beter in staat zijn een dergelijk onderwerp op de kaart te zetten.
Nu is het zo, dat “milieu” mensen het argument van de CO2 reductie van toepassing achten op het gebruik van hout als energie bron. Daar valt als zodanig wel iets op af te dingen. De emissies van zwart stof zijn ook rampzalig voor het klimaat.
Verder is er in die kringen vaak een bijna religieuze hang om terug te keren naar een “natuurlijke” lifestyle. Houtstoken is daar een onderdeel van.
Degenen onder hen die wel erkennen dat houtrook schadelijke elementen bevat, volgen het argument van de overheid. Die beweert dat de bijdrage aan fijn stof door het stoken van hout maar 4% bedraagt (het RIVM). Dit is een absoluut uit de lucht gegrepen percentage. Verordoneerd in 2001 met een persbericht van TNO: Voortaan is houtstoken zo schoon dat er nagenoeg geen schadelijke emissies meer zijn. Het ministerie van (toen) VROM eiste dat het houtrook probleem opgelost werd verklaard, en TNO leverde de bewijsvoering. Mensen die bij VROM informeerden naar de gevaren van houtrook, kregen als antwoord “mevrouw, dat probleem is toch allang achterhaald” (het was een mevrouw die me dit vertelde). Dat, terwijl er nog grote aantallen extreem vervuilende houtkachels in omloop waren (zijn?).
De overheid wil niet dat houtstoken een probleem is. In 2009, bij de instelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, is de bevoegdheid om rookoverlast aan te pakken bij de gemeenten neergelegd. Die bakken daar niets van.
Daarom is het Longfonds ook niet bereid het op zijn programma te zetten. Dan krijg je het aan de stok met het ministerie van I&M.
Met alle gevolgen van dien. Er is daarom geen goede voorlichting van overheidswege beschikbaar. Integendeel: onjuiste voorlichting. Dat werkt door in alle instanties in Nederland. Bovendien kan (durft) de politiek niets te beginnen, want een grote meerderheid van de kiezers vindt een vuurtje stoken “leuk” of “gezellig” of welke andere vette term ze daarvoor gebruiken. De partij die dit aanpakt verliest stemmen.
Wetenschappers zouden het op kunnen pakken. In de eerste plaats de onderzoekers naar Luchtkwaliteit. Want artsen weten niet wat de emissies van houtstoken zijn. Of stoken zelf hout; en dan verschrompelt de waarheid wel eens.
Zoals gewoonlijk zal de eerste stoot wel weer uit de bevolking moeten komen. Maar dat is vaak een lange weg.
Trinette JanssenHet probleem is dat de bevolking, en dan vooral jonge mensen, niet onder de indruk zijn van DALY’s. Enkele dagen of weken of maanden korter leven wordt niet erg gevonden, tot een bepaalde leeftijd.
Voordat de dood intreedt is de ziektelast echter aanzienlijk. Het medicijngebruik van een door mij begeleid echtpaar liep, tijdens en na rookoverlast, dramatisch op.
Het ging om een hartpatient en een astmapatient. Er volgde zelfs een ziekenhuisopname. De verergering van de kwalen werd geweten aan de rookproductie van buren. Die niet gering was.
In Koppejan 2010 staat dat, volgens een case study voor de stad Oslo, de ziektekosten van PM10 per kg 245 euro bedraagt. Dit is het geval wanneer de luchtvervuiling zich op bewonersniveau bevindt. Oslo is omgeven door gebrergte, waardoor de rook blijft hangen. Maar dit geldt evenzeer voor de dichtbebouwde kom van Nederlandse steden.
van Trinette Janssen———————>

Trinette,
In Nederland rekent het ministerie van I&M met kengetallen voor bijvoorbeeld fijnstof: http://www.rijkswaterstaat.nl/images/Kengetallen%20KBA%20hoofdtabel_tcm174-340912.pdf . Daarin oa: € 87,95 en € 376,91 per kg PM10 voor resp buiten en binnen de bebouwde kom. Dat is veel hoger dus dan jouw getal. Daarbij moet je wel bedenken dat het getal van het ministerie alle maatschappelijke kosten omvat, dus ook (op de een of andere manier) gemonetariseerd vervroegd overlijden.Overigens begrijp ik jouw getal niet. Ik begrijp dat je kunt schatten hoeveel een extra kg uitgestoten PM10 aan ziektekosten of maatschappelijke kosten oplevert, en dat dat getal afhangt van de hoogte waarop die wordt uitgestoten; en van de topografie van de omgeving van waar de uitstoot plaats vindt. Maar ik begrijp jou niet als je schrijft dat het Koppejangetal alleen zou gelden voor luchtvervuiling op bewonersniveau. Dan praat je namelijk niet over de uitstoot,maar over de luchtvervuiling, dus wat er overblijft na verspreiding vanuit de bron; dus je praat over de immissie. Het Nederlandse getal geldt voor UITSTOOT op bewonersniveau. Niet dus voor immissie, maar voor emissie.
van Gerard Cats————–>

Misschien moeten we jongeren, die minder gevoelig zijn voor levensverkorting, maar wijzen op de maatschappelijke kosten die het stoken van hout met zich mee brengt.
Als we even aan de hand van de tabel een kleine rekensom maken, dan kom je bij gebruik van de houtkachel als hoofdverwarming al snel op 40.000 euro kosten per jaar, bij misschien een besparing op brandstofkosten van 1000 euro.
Als er niet goed gestookt wordt ziet het er nog slechter uit.
van Jan Cate—————->

Koppejan geeft in zijn paragraaf over Oslo het totaal aantal houtkachels erbij. De kosten geven het gemiddelde aan. Natuurlijk is het de luchtvervuiling op bewonersniveau. Dus de inmissie als gevolg van de emissies. Het stuk van I&M geeft alleen de emissies van het verkeer aan. Wat het gevolg is van het stoken van hout in Nederland is onbekend, want het aantal houtkachels in Nederland is onbekend. Er zijn wel schattingen, maar ik ben zo vrij die volstrekt onbetrouwbaar te vinden. Dit in navolging van het CBS, die wel een schatting maakt, maar een onzekerheidsmarge hanteert van 50%.
I&M telt de “oude” houtkachels niet mee. Het ministerie beweert allang dat het “probleem” van de luchtvervuiling door houtrook achterhaald is, doordat er alleen “goede” houtkachels worden gekocht.
Wel is het tegenwoordig mogelijk om met digitale meters een indruk van de PM vorming rondom houtstokers te krijgen. Dat is niet gering!
Overlijden ten gevolge van PM vorming door houtstoken: hoeveel kost dat? Lang geleden is door anti sigarettenrook activisten eens vastgesteld, dat roken de maatschappij niet op kosten jaagt. Dat overlijden is weliswaar voortijdig, maar vaak pas tegen de pensioengerechtigde leeftijd aan. Dat scheelt pensioenuitkering. Samen de betaalde accijns op sigaretten schijnt die balans in evenwicht te zijn.
Op hout is geen accijns. Integendeel, dat is vaak gratis.
Trinette Janssen
van Trinette Janssen—————>

Trinette,
Je schrijft: “Het stuk van I&M geeft alleen de emissies van het verkeer aan”. Neen, het stuk geeft *de kosten van* de emissie door verkeer aan (en dan nog alleen maar wat ons ministerie meent, niet de werkelijke kosten dus).Je schrijft: “want het aantal houtkachels in Nederland is onbekend.” Dat aantal doet er voor het getal van Koppejan of van I&M niet toe, omdat die getallen de prijs per kg uitstoot geven. Meer kachels is meer uitstoot, niet een andere prijs per kg.Je schrijft: “Natuurlijk is het de luchtvervuiling op bewonersniveau.”. Die luchtvervuiling wordt uitgedrukt in microgram/m3, niet in euro per kg. Dus het getal van Koppejan of dat van I&M kunnen niet de luchtvervuiling op bewonersniveau zijn, hoe natuurlijk jij dat ook moge vinden. De juiste redenering is: als er in Oslo (voor Koppejan) of in de bebouwde kom in Nederland (voor I&<) op bewonersniveau een kg PM10 extra wordt uitgestoten, dan kost dat zoveel euro extra aan ziektekosten (Koppejan) of maatschappelijke kosten (I&M).
van Gerard Cats—————>

De bijdrage van houtverbranding aan de jaargemiddelde PM10 concentratie in Vlaanderen wordt ingeschat op gemiddeld 7%. In de winter loopt dat op tot bijna 11%. Op sommige meetplaatsen liep het op tot bijna 20% in de winter, zie http://www.vmm.be/pub/chemkar-pm10-chemische-karakterisering-van-fijn-stof-in-vlaanderen-2010/
Het effect op het aantal overschrijdingen van de EU daggrensnorm voor PM10 is nog belangrijker. Zie het VMM rapport, maar zie ook http://www.lanuv.nrw.de/luft/immissionen/ber_trend/Contribution.pdf .
van Frans Fierens——————>

Iemand een idee of deze haard http://www.interfocos.com/nl/haarden/energa echt beter is dan de rookproducenten hierboven? Verbrandt in een keramisch spons het fijnstof, hoge efficiëntie, dus vrij volledige verbranding. Maar, in het interview is de producent er ook trots op dat hij de deeltjes van 0,1 micrometer naar buiten blaast, tegen het verstoppen. Dat zijn volgens mij de schadelijkste.
van Johan Noordhoek———————————————————————————–

Ik heb opnieuw de PM2.5 concentraties uitgerekend met het STACKS verspreidingsmodel voor een fictieve wijk met zeer veel (?) houtstook. De specificaties, uitkomsten en contourplots zijn te vinden in een document dat ik onder mijn LinkedIn profiel heb geplaatst.De uitkomsten zijn als volgt:
– voor 10 uur per jaar (0.1% van de tijd / 99.9-percentiel) ligt de PM2.5 concentratie boven 250 µg/m3.
– voor 175 uur per jaar (2% van de tijd / 98-percentiel) ligt de PM2.5 concentratie boven 100 µg/m3.
– voor 875 uur per jaar (10% van de tijd / 90-percentiel) ligt de PM2.5 concentratie boven 40 µg/m3.
– de jaargemiddelde PM2.5 concentratie ten gevolge van de houtstook bedraagt maximaal ongeveer 2.5 µg/m3.
De jaargemiddelde achtergrondconcentratie van PM2.5 bedraagt ongeveer 15 µg/m3. Op basis van deze STACKS berekeningen lijkt het effect van houtstook dus aanzienlijk te zijn.Specificaties van de berekeningen:
– Met het verspreidingsmodel Geomilieu-STACKS (goedgekeurd door het ministerie van I&M voor gebruik binnen en buiten het toepassingsbereik van SRM1, SRM2 en SRM3) zijn berekeningen uitgevoerd om PM2.5 concentraties ten gevolge van houtstook in een woonwijk te berekenen.
– De met STACKS gemodelleerde woonwijk betreft een suburb van een provinciestad in een bosrijke omgeving. Aangenomen is dat 1 op de 4 huizen een kachel of haard heeft (in de contourplots zichtbaar als rode sterretjes). In STACKS / SRM3 wordt rekening gehouden met de invloed van gebouwen op de verspreiding van de rookgassen. Meer informatie over STACKS, zie www.dnvkema.com/nl/services/ces/hse/air-quality.aspx
– Doorgerekend is het jaar 2011 (de meteorologische database bevat uurwaarden, berekend zijn de momentane concentraties conform SRM3).
– Als ‘stook seizoen’ is genomen half september t/m half mei (8 maanden). In deze periode stookt 1 op de 3 haardbezitters gedurende 13 uur per dag, 1 op de 3 gedurende 8 uur per dag en 1 op de 3 gedurende 3 uur per dag. De precieze stooktijden verschillen per woning. We gaan ervan uit dat er nogal wat ‘slechte kachels’ bij zitten met onvolledige verbranding. We rekenen daarom met een PM2.5 emissiesterkte van 15 gram per stookuur. Het RIVM geeft een gemiddelde PM2.5 emissiesterkte van 4.5 gram per stookuur (RIVM rapport 609300027/2011).Bovenstaande inputgegevens – voor een vrij extreme situatie – zijn veelal genoemd door de (ervarings)deskundigen in deze LinkedIn discussie.
van Luc Verhees——————————————————————————-

Luc ik denk ook dat de hoeveelheid hout te weinig is, als er alleen op hout gestookt wordt. ik ging uit van bijstook, dan gaat het allemaal wat minder snel.Dank voor het ons mee laten delen met de uitkomst van de berekeningen. Het is hoogstwaarschijnlijk geen gemiddelde situatie . Wat bedoel je met “in een bosrijke omgeving”. Het suggereert dat de uitkomst alleen in een bosrijke ongeving geldig kan zijn tezamen met de andere gestelde factoren. Wat is precies de invloed van “bosrijke omgeving” op de uitkomst van het model? Je stelde eerder toch dat landschapselementen niet in het model zitten?
van Gerard Kos

——————————————————————————-

Ondanks de berekening van Luc blijft 1 punt onderbelicht.
Wat heb ik aan een gemiddelde waarde wanneer de rook eerst door mijn keuken trekt voor het zich verspreid !
De ernst van de puntbelasting (of puntvervuiling) wordt ook hier onderbelicht.
van R Snoek——————————————————————————–

Beste Luc,
Ongetwijfeld zal jouw conclusie juist zijn. Iemand die naast of tegenover de stoker woont heeft daar geen baat bij.
Waar het uiteindelijk om gaat is niet hoe verspreid het zich en wat is het probleem voor iemand op grotere afstand gedurende langere tijd als gemiddelde, doch elementair is het probleem dat de direct buur heeft. Indien door het stoken van mijn achterbuur het PM2.5 gehalte gedurende bijvoorbeeld 4 uur per dag verdrievoudigt, mag ik dan de conclusie stellen, dat ik een ernstig probleem heb?
Dat ik prikkende ogen en een verstopte neus krijg is toch een signaal dat er iets goed mis is.
Graag je reactie.
van Jos Merks————————————————————————————–

We zijn weer afgedwaald naar de houtrookdiscussie die nu inmiddels via een andere parallelle discussie loopt. Ik zal daarom daar antwoorden op datgene wat geschreven is na mijn laatste bijdrage.
Ik herhaal nog even wat Frans Fierens schreef in de andere discussie die eigenlijk niet voor de houtrookdiscussie bedoeld was. Er staan links in naar rapportages en harde getallen, die evt. vertaalbaar zijn naar de Nederlandse situatie.Frans Fierens:
• De bijdrage van houtverbranding aan de jaargemiddelde PM10 concentratie in Vlaanderen wordt ingeschat op gemiddeld 7%. In de winter loopt dat op tot bijna 11%. Op sommige meetplaatsen liep het op tot bijna 20% in de winter, zie http://www.vmm.be/pub/chemkar-pm10-chemische-karakterisering-van-fijn-stof-in-vlaanderen-2010/
Het effect op het aantal overschrijdingen van de EU daggrensnorm voor PM10 is nog belangrijker. Zie het VMM rapport, maar zie ook http://www.lanuv.nrw.de/luft/immissionen/ber_trend/Contribution.pdf .
Einde citaat.Terugkomend op wat Trinette Janssen schreef over de verkoop van houtkachels, dat men zegt alleen nog maar “goede houtkachels” verkocht worden: juist door opheffen in 2004 van de wetgeving v.w.b. emissies van houtkachels, heeft de overheid het sein op groen gezet voor de import van inferieure houtkachels. Het was een Europees economisch besluit om nationale restricties op de markt van houtkachels teniet te doen. Blijkbaar was het niet bindend, want andere landen om ons heen – waar houtstook een groter probleem is – hebben hun binnenlandse politiek niet gewijzigd. Integendeel in Duitsland en Denemarken is de regelgeving alleen nog maar strenger geworden, met (strengere) emissienormen voor nieuw te plaatsen houtkachels en met uitfasering van oude kachelsmet, met daarbij strikte toezicht op naleving ervan, vooral in de grote steden in Duitsland.Ik denk dat we dan dichter bij de waarheid komen v.w.b. het aandeel van houtrook aan de totaalfijnstofconcentratie dan via de antwoorden van de zittende regering op kamervragen over houtrook (onlangs zijn die in de kamer behandeld). Goed antwoorden op de gestelde vragen kan eigenlijk alleen als er voldoende breed onderzoek gedaan is, maar dat komt in de beantwoording ook wel naar voren. Het lijkt op wat Trinette al stelde: de overheid weet het niet en wil het ook niet weten, hoe het gesteld is met de bijdrage van houtrook in de leefomgeving (in de woonomgeving van) van miljoenen mensen in Nederland in niet onderzochte gebieden. Om er beter achter te komen hoe de lokale verontreiniging in onze leefgemeenschappen (gezamenlijk miljoenen mensen) op lokaal niveau is, is het volgende nodig:
1) validering (voor houtrookverspreiding) van het model dat Luc nu al voor mogelijke scenario’s gedraaid heeft
2) verplichting per gemeente om te inventariseren hoeveel, waar en hoe er gestookt wordt
3) gebruik van een realistisch emissiegetal per kg verstookt hout (op basis van 1 ook)
4) de verplichting per gemeente om genoemd model in combinatie met een verkeersmodel toe te passen voor aldaar geldende omstandigheden en de uitkomende concentraties op te tellen bij de “achtergrondconcentraties”.Verder is het nodig om een gezondheidsschadelijkheidsfactor toe te kennen aan houtrook. Je zou kunnen denken aan een weegfactor waarmee de concentratie fijn stof afkomstig van houtrook vermenigvuldigd zou kunnen worden om de schadelijkheid uit te drukken in equivalenten “normaal fijnstof”. Dit, zolang bepaalde zouten en opwaaiend stof de minder schadelijke stoffen zijn, waarop de normen grotendeels gebaseerd zijn. Dat zou voor het fijnstof van de *directe* verkeersemissie (EC/OC) eigenlijk ook moeten gelden. Uiteindelijk kom je dan tot een meer op de werkelijkheid gebaseerde, berekende, luchtkwaliteitsindex (AQI) per gemeente in fijn grid. Gassen zouden meegewogen moeten worden.

Naschrift:
‘op basis van (1)” bij het 3e sterretje (asterix), slaat op datgene wat achter het eerste sterretje staat (de nummering is weggevallen bij tekst uit Word inplakken)
van Gerard Kos——————————————————————————-

Hierbij wil ik nog een paar puntjes van de STACKS berekeningen verduidelijken:
1) @ Gerard,de opmerking over bosrijke omgeving is inderdaad een loze opmerking. In de doorgerekende fictieve wijk wordt veel gestookt. Vandaar dat ik er ‘bosrijk’ bij zette, omdat het me wel aannemelijk leek dat de bewoners daar veel stoken itt in bijvoorbeeld een stadcentrum. Bosrijk of niet, dit heeft geen invloed op de met STACKS berekende PM2.5 concentraties in de wijk.
2) @ Jos Merks e.a. Het is een misvatting dat ik gemiddelde waarden zou berekenen. Ik bereken percentielwaarden, dat zijn juist geen gemiddelde waarden. Het 98-percentiel wil zeggen dat gedurende 2% van de tijd deze concentratie wordt overschreden. Voor het 98-percentiel is dat dus 175 uur per jaar. Ik heb ook andere percentielwaarden berekend, zie het geüploade document. De concentraties zijn ook niet berekend op grote afstand, zoals door Jos opgemerkt. In mijn model zijn de concentraties berekend op bijna 9000 receptorpunten (vandaar dat ik er ook gedetailleerde contourplots van kan maken, zie ook weer het geüploade document) in en rondom de wijk. Veel van deze receptorpunten liggen dus vlak bij de emissiepunten, denk aan enkele meters. De rekentijd van dit model, met 100 emissiepunten (= 100 woningen in deze wijk met houtkachels) en 9000 receptorpunten is trouwens behoorlijk lang: bijna een dag.De vraag is nu natuurlijk: wat hebben we hier aan en hoe nu verder. Gerard vat het in zijn (voor)laatste post mooi samen!
van Luc Verhees—————————————————————————————

Beste Luc,
Jouw modellen zijn vast wetenschappelijk geweldig. Plaatselijk heb je er echter niets aan.
Met Houtstook is het nu eenmaal zo dat de concentraties zich nestelen rondom de stoker (zie ECN rapport) waarbij de omgeving binnen een straal van 200m2 wordt vergiftigd met fijnstof.
Met gemiddelden werken schiet dan niet op, en daar hebben slachtoffers van houtrookterreur niets aan.
Heb jij de mogelijkheid op wetenschappelijke basis feitelijke informatie te verzamelen op het directe omgevingsniveau gedurende de tijd dat er gestookt wordt, zoals bijvoorbeeld Jan ten Cate zijn metingen gedaan heeft.
Wat zou je er van vinden als jij zelf een buurman zou krijgen die dagelijks zijn kachel vol duwt met zoals bijna gebruikelijk hout van allerlei allure en bij jou de stinkende rook in de slaapkamer staat? Dan hoef je nog niet eens na te denken over de gevaren voor je gezondheid en daar hoef je helemaal geen astma voor te hebben om een gigantische hekel aan die houtrook te krijgen. Laat staan als je wel gevoelige longen hebt.
van Jos————————————————————————————

Beste Jos, zoals ik gisteren al uitlegde bereken ik juist geen gemiddelden en reken ik juist wel de plaatselijke concentraties uit. Als mijn buurman begint met stoken kan ik met het STACKS model uitrekenen wat de PM2.5 concentraties zullen zijn in mijn achter- en voortuin, de oprit, op de straat etc. Echter niet de concentraties in mijn slaapkamer of keuken, want STACKS is alleen geschikt voor verspreidingsberekeningen in de buitenlucht. Of de berekende waarden ook goed kloppen met de waarden die je vindt wanneer je zou gaan meten weet ik niet precies. Het model is gevalideerd voor allerlei bronnen, ook bijvoorbeeld voor PM10 en ammoniak immissies rondom veehouderijen (ook ‘plaatselijk’ dus). Ik zou dus verwachten dat metingen en berekeningen voor een ‘houtstook’ case dus ook goed zouden matchen, maar dat zou bij voorkeur nader onderzocht moeten worden.De buurman houdt echter niet vanzelf op met stoken als ik een STACKS berekening uitvoer, dus in die zin heb je inderdaad niets aan het model, maar deze berekeningen kunnen dus wel aantonen dat de concentraties erg hoog (onverantwoord hoog?!) kunnen oplopen als je naast een of meerdere houtstoker(s) woont. In deze berekening liggen de PM2.5 concentraties (in jouw achertuin, naast je hout stokende buurman en achterbuurman, en ook de mensen van 5 huizen verderop stoken etc) dus gedurende 10% van de tijd 3 tot 15 keer boven het niveau van de jaargemiddelde PM2.5 achtergrondconcentraties. En dat is toch een vrij forse toename zou ik zelf zeggen. Daarmee zouden dit soort berekeningen kunnen helpen met het overtuigen van de poltiek om iets te doen aan de verontreiniging die houtstook veroorzaakt.Wat ook met het STACKS model berekend kan worden (maar dit is nog niet gedaan):
hoeveel extra PM10 overschrijdingsdagen zijn er ten gevolge van houtstook in bijvoorbeeld een wijk waar veel gestookt wordt.
van Luc Verhees
—————————————————————————————-

De concentraties binnenshuis lopen vertraagd op naar ca 75 % van die van buiten; kwaliteit isolatie woning en mate ventilatie spelen daarbij een belangrijke rol.
Na een jaar meten op 1 locatie – dat is dus zeker niet maatgevend, maar wel een zorg gevende indicatie – blijkt dat tijdens het stoken van hout de achtergrond concentratie pm 2,5 regelmatig met 100 tot 500 procent wordt verhoogd binnen een afstand van 20 tot 35 meter van de schoorsteen.
We gaan dan grofweg van gemiddeld 15 naar 30 tot 75 ug/m3 tijdens stookuren en in een aantal gevallen is dat 15 uur per dag.
Dat lijkt me een ongezonde situatie, zeker nu WHO op grond van de meest recente bevindingen haar eerdere richtlijnen voor fijn stof nog verder wil aanscherpen.
van Jan Cate————————————————————————————–

Ik wil nog eens benadrukken dat de gangbare fijnstofnormen mogelijk/eigenlijk ongeschikt zijn om vast te stellen of er een onacceptabele schadelijke concentratie van houtrook of dieselrook heerst op een bepaalde locatie. Die normen zijn ooit vastgesteld op basis van een groot aandeel van secondair zoutaerosol (primair – zeezout – wordt afgetrokken) en dan de zouten ammoniumsulfaat en ammoniumnitraat. Ons lichaam kan redelijk goed overweg met zouten die neerslaan in de longen. (wel is er natuurlijk de tussenfase in de vorm van zuren zoals salpeter en zwavelzuur, maar “gelukkig” hebben we vrij veel ammoniak in de lucht om het snel naar zout om te zetten). Het probleem is veel meer het primaire aerosol en (mede secondair) gevormde koolwaterstoffen (PAN’s PAK’s), EC en OC, en bepaalde metalen die meekomen. De vraag is of voor die mix een veilige grenswaarde voor te geven is, die gelijk is aan de huidige Europese normeringen voor PM10 en PM2.5. Gezien het meer toxische karakter van die specifieke bestanddelen lijkt dat niet logisch.
van GerardKos————————————————————————————–

Dan even – ter illustratie – een voorbeeld uit de praktijk. Afgelopen weekeinde kon ik mijn achtertuin niet meer betreden zonder direct hoestprikkels en een benauwdheidsgevoel te krijgen. Ook in de woonkamer was sprake van stankoverlast en prikkeling, zelf bij een roker, wat al aangeeft dat het sterk moet zijn want rokers kunnen prikkels goed verdragen uit hun eigen biomassaverbrandingen. Er bleek bij inspectie van enige afstand een blauwe pluim uit een schoorsteen te kruipen en meteen naar beneden te zakken over het dak de achtertuinen in van het blok rijtjeshuizen (waar ik er één van bewoon). Er was weinig wind en geen doortocht. Ik schatte de concentratie – op basis van een eerdere metingen met een optische counter – op ca. 500 ug/m^3. Dat had zo de hele middag door kunnen gaan, maar uiteraard ben ik naar de buren verderop gestapt en ik heb gevraagd het stookproces flink te verbeteren dan wel te staken. Het excuus van de buurman was dat hij hout had betrokken vanuit een opslag waar de overkapping van het hout wat lekte en het kon daarom zijn dat het hout wat vochtig was. Uiteraard is dat geen excuus als er goede regels zijn in een gemeente omtrent het stoken van een houtkachel, met alles wat daar bij komt kijken. Als die regels er al zijn – rechtstreeks gericht op het bedrijven van een houtstookinstallatie – en dat geloof ik niet, dan zijn ze sowieso niet bekend bij de inwoners van de gemeente. Dit is dus de dagelijkse praktij op veel locaties in Nederland, men koopt stook een kachel – goed of slecht, er is geen keurmerk meer – men gooit er van alles in (buren nog verder weg gooide er ook de gebruikte luiers in) droog of nat hout, wel of niet geverfd, snoeihout, te weinig gedroogd hout, stelt de luchttoevoer wel of niet goed af en het wordt warm binnen en smerig buiten.Laten we het eens vergelijken met een andere fijnstofbron: vervoermiddel op 4 of meer wielen.
Moet voldoen aan Euro-norm, je moet eerst leren hoe er mee te rijden, de brandstof moet aan normen voldoen, wordt jaarlijks gekeurd op emissies, wordt onderhouden.
Je laat het wel uit je hoofd om de verkeerde brandstof erin te gooien.
We rijden geen 130 km/uur bij mist of gladheid, we houden dus rekening met de weersomstandigheden.Als we hetzelfde op houtkachels (en hun gebruikers) eens van toepassing zouden laten zijn, dan zou er al enorm veel gewonnen worden t.a.v. de luchtkwaliteit in de woonomgeving op veel locaties in Nederland.Het volstaat niet om ergens op een website van een ministerie een halve pagina te wijden aan hoe we moeten stoken. Dat wordt echt niet gelezen door hen voor wie het het meest nodig is.Zo’n beleid volstaat ook niet t.a.v. verkeersdeelneming en verkeersemissies. Dan worden er in Europees verband bindende afspraken gemaakt en op nationaal en gemeentelijk niveau zijn er ook maatregelen (verkeerssnelheid, verkeersstromen, brandstofeisen).
van Gerard Kos——————————————————————————————

Vorige week een tip gekregen over deze discussie als organisator van een landelijk congres over Houtstook door de VVM, Netwerk van Milieuprofessionals. De secties Geur en Milieurecht&Praktijk hebben het initiatief genomen om dit congres te gaan organiseren. Mijn persoonlijke motivatie is het grote aantal geurgehinderden door houtstook (10-13%), wetend dat stankhinder in dit geval betekent dat er ook schadelijke stoffen bij de waarnemers terecht komen. En enkele ervaringen met toezicht&handhaving bij houtstook door gemeenten. Inmiddels hebben we een groot organisatiecomité met daarin vertegenwoordigers van de kachelbranche, het RIVM, Longfonds en diverse milieudeskundigen De doelgroep van het congres is breed: burgers, kachelleveranciers, ingenieursbureaus, milieudeskundigen etc. Als onderwerpen willen we alle relevante thema’s aan de orde laten komen. Het congres wordt in mei gehouden bij het RIVM. Het doel is de bestaande informatie beter beschikbaar te maken en een stap verder te komen in de mogelijkheden om deze problematiek aan te pakken. Volgens mij is dat mogelijk zonder al te grote inspanningen te hoeven leveren.
Voorafgaand hieraan heeft het ministerie van I&M in november 2 bijeenkomsten georganiseerd naar aanleiding van brieven van burgers met problemen en van gemeenten die moeite hebben om deze problematiek aan te pakken.De eerste bijeenkomst voor burgers is al geweest. De tweede bijeenkomst voor stakeholders op uitnodiging is op 26 november.
De informatie in deze discussie is wellicht een (extra) argument voor I&M om onderzoek te laten doen. Zoals blijkt uit de discussie zijn er veel onzekerheden om berekeningen te kunnen doen. Het aantal kachels en (open) haarden is wel goed bekend, maar het aantal uren dat gestookt wordt, hoeveel hout er dan verstookt wordt en vooral wat dan de resulterende emissie is, is niet goed bekend.
De aantallen kachels zijn hoog, de emissies (door slecht stookgedrag) waarschijnlijk ook en dat betekent naar mijn mening dat er op heel veel plaatsen lokaal een probleem is. En dat is nu juist het argument tot nu toe van de rijksoverheid, namelijk dat het een lokaal probleem is waar de gemeente voor verantwoordelijk is. En de gemeenten hebben vaak onvoldoende kennis om dit probleem aan te pakken.
Wordt vervolgd als er weer nieuws is over het congres!
van Carla Anzion—————————————————————————————–

Wat in Nijkerk meespeelt (en ik dacht even dat Luc daar op duidde toen hij het over een bosrijke omgeving had, maar dat was niet het geval) is dat er veel hoge bomen rondom staan. Dat belemmert de verwaaiingverdunning zowel horizontaal al verticaal. als je dit soort landschapselementen wel of niet in een model zet krijg je grote verschillen.Je ziet dat of met te nat hout of met te weinig zuurstof gestookt wordt, dat zie je aan de blauwe walm, er is lang geen volledige verbranding. Daarom heeft de pluim geen stijgkracht, de temperatuur is te laag.
Als je goed stookt moet de pluim nauwelijks zichtbaar zijn. Alleen bij aanmaken zou je dit moeten kunnen zien. Eigenlijk zou het continu zichtbaar zijn van een blauwe of zwarte pluim al voldoende moeten zijn voor een gemeente om in actie te komen.Op een andere locatie waar ook klachten zijn zag ik dezelfde setting: veel bomen er omheen en langs de daken dwalende of zelfs vallende – blauwe – pluimen.
De dominente deeltjesgrootte v.w.b. de massaconcentratie is waarschijnlijk rond 0.5 um gezien de blauwheid van de pluim.Nijkerk schandaalAls je deze rookdichtheid over een 50 meter zou hebben zou je waarschijnlijk al niet meer zicht hebben dan die afstand. Als we de schaal van de aloude Nephelometer gebuiken om dan om te rekenen naar ug/m^3 komen we op ca. 400 * 38 = 15200 ug/m^3 in de pluim direct uit de pijp. Als je dan het debiet hebt en de ruimte tussen de bomen, dan kan je uitrekenen hoe lang het duurt tot je op 50 ug/m^3 zit of 200 desnoods. Even er vanuitgaande dat er niets het bos rondom intrekt. Je kan dan ook nog spelen met de inversiehoogte. Maar goed, dat zijn allemaal maar schattingen.Als de pluim zwart wordt zullen de deeltjes groter zijn en zal meteen de concentratie nog hoger zijn.Een onafhankelijke beoordeling met steekproeven van dit soort situaties met niet al te ingewikkelde apparatuur is lastig. Ik denk toch eerder in termen van weken vastleggen van de concentratie in de tuin(en) van de buren met enkele registrerende opnemers (goedkope maar voor houtrook gekalibreerde) om tot een onpartijdig oordeel te kunnen komen.Dan zijn er vervolgens wel wettelijke normen nodig.Dit soort acties voorkomen door eisen aan de kachels en brandstof te stellen – en dat ook te controleren – is een andere mogelijkheid. in 2004 is echter (alleen door Nederland, hoewel het een Europees besluit was) een andere weg ingeslagen.
By Gerard Kos——————————————————————————————

Van de week bij een conferentie in Brussel geweest over luchtkwaliteit. Daar presenteerde dhr. Schopper een onderzoek naar de luchtkwaliteit in Graz (Oostenrijk). Hieruit bleek dat houtstook een belangrijke bijdrage had aan de PM10 en PM2.5 concentraties. De bijdrage is zelfs zo groot dat er in gebieden waar de luchtkwaliteit het slechts is een verbod is op het gebruik van vaste brandstoffen. Dit lijkt extremer dan het is, feitelijk komt het er op neer dat bij nieuwbouw geen kachels die op vaste brandstoffen branden geplaatst mogen worden en dat bij vervanging van oude kachels geen vaste brandstoffen brandende kachels teruggeplaatst mogen worden. Hoe dit in de praktijk uitpakt is nog niet bekend omdat de maatregel zeer recentelijk is ingegaan.
Het geeft wel aan hoe serieus de problematiek met houtstook wordt genomen.
Ik sluit mij bij de mening van Gerard van zo’n 3 weken geleden aan dat er eens onderzocht zou moeten worden hoeveel huishoudens een kachel hebben en hoe het stookgedrag is. Op basis daarvan kan een realistischer beeld verkregen worden van de bijdrage van kachels aan de luchtkwaliteit.
van Sander TeeuwisseOverzicht van Sander Teeuwisse
Huidig
voorzitter sectie lucht en klimaat bij VVM Vereniging van Milieuprofessionals
senior consultant air quality bij Royal HaskoningDHV
Vorig
consultant Air Quality bij TNO Built Environment and Geosciences
Opleiding
Wageningen University———————————————————————————————————————–

Beste Sander,
Dat is een bericht dat zeer welkom is. Eindelijk een land dat een rationele beslissing neemt. Daar zijn we in Nederland nog heel ver vandaan. Hier bouwen wij met een glimlach een wijk zonder houtkachels (Zutphen) en zodra de aannemer is vertrokken en de bouw dus klaar is, beginnen de bewoners de een na de ander een houtkachels in hun woning te installeren. En niemand die er na klaarkomen van de bouw nog naar omkijkt. De buren zijn de klos, ook al hadden ze vooraf geïnformeerd bij de makelaar of men wel in een schone omgeving zonder houtkachels terecht komt. Een schoorsteen is achteraf natuurlijk zo ingebouwd, vergunningsvrij, alsof het een dakkapel is. Voor je het weet staan er 20 in een straal van 200-300 meter.
Als je 5 minuten de tijd hebt kijk dan even naar deze uitzending van 1-Vandaag, waarin een bewoonster van Zutphen uitlegt hoe het in haar omgeving met de houtkachels gesteld is, Spontaan begint er een buurman een stapel laminaat in zijn tuin te verbranden. Zo is het gesteld in Nederland. Gemeenten die slechts de andere kant op kijken als het om houtkachels gaat. Zie : https://www.dropbox.com/s/galol3cvt5r0an6/Houtrook%202.mpeg
Mijns inziens is het geen tijd voor onderzoeken. Oostenrijk bevestigt in klare taal datgene dat vele landen al weten. Het wiel is toch ook maar één keer uitgevonden? En de gloeilamp en de CD, de Magnetron en de Mobiele telefoon? Je hebt alleen meer fabrikanten van functioneel hetzelfde product.
van Jos Merks————————————————————————————————————————–

Hans Erbrink • Naast de gezondheidsbezwaren, is houtstook ook al nummer 1 voor geurhinder.
Al die kachels en haarden blijven nu teveel onder de radar van het beleid.
Er wordt nagedacht over milieuzones voor verkeer in binnensteden. Die kosten miljoenen, maar misschien is het handiger wat aan die houtstook te doen.
In diverse landen (Belgie, Duitsland, VS) is al meer aandacht voor de houtstook problematiek en is al een aantal maatregelen in gang gezet (bv. verbod op houtstook bij problematisch weer).

——————————————————————————————————————————-

Beste Gerard,
Bedankt voor je reactie rondom de verhoudingen en ontstaan van PM2.5.
Als je het niet erg vindt, houd ik mij toch vast aan dat wat www.emissieregistratie.nl van de overheid op haar website zet. Dat is wel zo eenvoudig, aangezien de “hocus-pocus” taal, dat bedoel ik positief, voor iemand die geen specifieke wetenschap gestudeerd heeft, niet te begrijpen is. Overigens onze zuiderburen publiceren dat het aandeel van de houtrook in Vlaanderen op 41% komt als het om fijnstof gaat.

——————————————————————————————————————————

Je zult toch naar een gemiddelde uitstoot per kachel toe moeten en bij een matrix van kachels in een woonwijk of woonagglomeratie is dat het best haalbare. Probleem is inderdaad dat we niet weten wat de gemiddelde Nederlandse houtkachel uitstoot, daarin zit ook het gemiddelde stookgedrag en de gemiddelde kachel. Je zult toch echt een project dat ik eerder omschreven heb gedraaid moeten hebben om daar meer over te weten te komen.
Dus niet de waarden uit een laboratoriummeting, maar de waarden die in “real live” gegenereerd worden. Een andere mogelijkheid is om het uit de literatuur te halen, maar tot nu toe heb ik nog niet anders gevonden dan laboratoriummetingen en dat zijn geoptimaliseerde stookcondities.Even om een deel van het probleem en uitstoot te schetsen: heel andere condities dan die ik dit weekeinde weer mocht meemaken met een chronisch vanuit een schoorsteen neervallende pluim die zowel een straat als een hoefijzervormig plantsoen met huizenblokken onder de rook zette.
Uiteraard kan ik naar de mensen toestappen zoals ik bij andere – meer nabije buren al gedaan heb (waar de pluim ook neerwaarts was), maar of ik dat ingesleten gedrag veranderd kan krijgen is nog maar de vraag.
van Gerard KosOverigens las ik in een internationale discussie dat in sommige steden in Chili de PM2.5-waarden ‘s winters regelmatig hoger liggen dan in Beijing, tot bijna 1000 ug/m^3 en volgens de luchtkwaliteitsdeskundige aldaar is is dat direct het gevolg van stoken op hout.

Jos ik citeer jouw uitspraak even voor de duidelijkheid:
“De uitstoot van fijnstof uit houtrook (waar men zo tegen ageert bij het verkeer) blijkt landelijk hoger te zijn dan alle andere bronnen van fijnstof dus ook hoger dan het verkeer”Dat klopt, maar ook weer niet, de directe uitstoot van aerosol kan het hoogst zijn maar aerosol dat indirect gevormd wordt uit de uitlaatgassen van het verkeer – en dan gassen letterlijk nemen – geeft weer zoveel bijdrage dat de belangrijkste fijnstofbron (in Nederland) toch het verkeer is. De stikstofoxiden en organische dampen van het verkeer zorgen voor resp. ammoniumnitraat (NH4NO3 door omvormingen van NOx naar HNO2 en/of HNO3 en samen met oxidanten en NH3 wordt NH4NO3 gevormd) en OC’s (gevormd door condensatie en oxidatie). OC’s kunnen echter ook tevoorschijn komen uit de gasfase van houtrookgassen.
Zowel NOx als OC spelen een rol in de vorming van ozon en andere oxidanten (vnl OH-) bij voldoende zoninstraling (fotochemie). Waarbij NOx ook in een circulaire reactie kan deelenemen waarbij waarbij steeds meer ozon gevormd wordt.
De hoge ozonconcentries waar zomers soms voor gewaarschuwd wordt, ontstaat dus vooral door het verkeer, (maar deels ook door de gasvormige emissie van naaldbomen, de terpenen).Resumerend: hoofdbestanddeel van fijnstof in Nederland is afkomstig van het verkeer, echter, is indirect gevormd (secondair inorganic aerosol, officieel).
van Gerard Kos@Jan, het is zeker zo dat een groot deel van de dag verbeleven wordt in de woonwijk en zeker voor kinderen geldt dat. Wel is het zo dat heel veel mensen ook dagelijks een uur of meer op de weg verblijven, afhankelijk van het beroep. Je krijgt dan ook heel wat aan fijnstof en NOx BC’s en OC’s te verwerken, afhankelijk van hoe goed je auto de lucht affiltert. De duurste auto’s hebben meestal de beste filtersystemen. Daar is ook aardig wat preventie mogelijk, door goede filtersystemen verplicht te stellen. Een zijsprongetje om e.e.a. in perspectief te zetten.Gerard Kos

beste Jos, in de emissieregistratie staan stikstofoxiden niet onder fijnstof. Dat is een logische keuze want bij de emissie is het nog gasvormig, daarom staat het onder emissie van gassen. In de atmosfeer wordt het echter omgevormd in fijnstof. Je kan het voor Jip en Janneke’s begrip als volgt weergeven; de NOx-emissie in de ene stad (gebied) is het fijnstof in de windafwaartse stad (gebied), maar soms ook in dezelfde stad, als er geen wind is.(*)
Hetzelfde geldt voor SO2 en dan met name voor Polen en andere Oost-Europese landen waar nog veel kolen met zwavel gestookt worden: de gasvormige SO2-emissie daar komt als fijnstof hier aan, in de vorm van ammoniumsulfaat. Je zult ‘s winters bij oostelijke wind dat makkelijk kunnen constateren aan de hier oplopende fijnstofconcentraties.

Gerard Kos

Jan, jouw fijnstofmeter is niet geschikt om verkeersemissies goed te meten, alleen het grovere deel wordt gemeten, maar juist in de fijne fractie, dat onder het bereik van jouw meter zit, pieken het aantal en zelfs het oppervlak aan deeltjes.Anderzijds kan je met jouw meter een redelijke indicatie van de massaconcentratie PM2.5 krijgen en daarom kan je mogelijk stellen dat je meer in je tuin meet bij ongunstige windrichting (windroos is 360 graden) en ongunstig weer (inversie) en indien er gestookt wordt. Dan neem ik daarbij aan dat je je fijnstofmeter buiten de auto hebt gehouden tijdens het rijden, wat waarschijnlijk niet zo zal zijn. (lijkt me een gevaarlijke exercitie overigens, getallen aflezen en rijden tegelijk). Waarom de meter buiten de auto? Een simpel filter in de ventilatielucht van een auto kan weliswaar geen NOx tegenhouden maar wel ca. 85% van het fijnstof. Het is niet duidelijk of je vergelijkbare metingen gedaan hebt. Type auto, type filters, wijze van ventileren, dat heeft allemaal invloed op de meetwaarden in de cabinelucht.
Ook moeten de gassen betrokken worden bij de vergelijking hoe ongezond de lucht op de ene t.o.v. de andere plek is, gassen hebben immers ook een gezondheidseffect. Nu ben ik er niet van overtuigd dat de gassen in de verkeersstroom schadelijker zijn dan in die van de gemiddelde houtrookpluim moet ik meteen aangeven.

Als je het hebt over effecten op bodem en oppervlaktewater: het probleem van de verzuring is overwonnen na grootschalige invoering van ontzwaveling van brandstoffen en schoorsteenemissies. De verzuring van de Scandinavische meren is gestopt en er is herstel opgetreden, hetzelfde geldt voor de bosgebieden en voor de vennen. Wat niet opgelost is, is de vermesting van de bodem door ammoniumnitraat. Dit zout dat voor bemesting van het land gebruikt wordt (bestanddeel kunstmest), vindt zijn oorsprong in ammoniak (NH3) uit de landbouw en stikstofoxiden (NOx) van het verkeer.

Een ander probleem is dioxine. Sommige vissoorten in de Oostzee zijn er dermate mee verontreinigd dat ze in Denemarken niet verkocht mogen worden, Die vis gaat alleen voor de export naar landen die minder stringent zijn met regels. Volgens 1 bron (meer heb ik nog niet gevonden) is de dioxine in de Oostze voor 1/3 te wijten aan de houtstook in de landen rondom de Oostzee. Als er chloor in het hout zit is de kans op emissie van dioxine groter. Dat houdt meteen in dat als hout van eigen bodem gestookt wordt in Nederland, de kans groter is dan in andere landen dat er dioxine vrijkomt.

van Gerard Kos

 

——————————————————————————————————————————-

Beter laat dan nooit wil ik toch nog even reageren op de discussie rondom de ziektelast en de verhoudingen hier tussen fijn stof en bronnen. Het samenvatten van jaren werk in een kort persbericht valt niet mee. Daarom hieronder een iets uitgebreidere beschrijving van mijn onderzoeken.Een van de casestudies gaat over de vergelijking van 21 prioritaire stoffen (fijn stof, 3 precursors, en 17 kankerverwekkende) voor wat betreft de milieudrukindicator, de milieukwaliteitindicator en de gezondheidseffectindicator (in DALYs) toe te passen op Nederlandse schaal. De resultaten van deze drie indicatoren zijn met elkaar vergeleken om te kijken of deze verschillende indicatoren leiden tot een andere prioritering van de stoffen.
–> Wat blijkt?
1. De ziektelast in Nederland ten gevolge van binnenlandse luchtemissies
van primair en secundair fijn stof (PM10) was in 2003 veruit het hoogst met 41.000 DALY’s per jaar. De ziektelast ten gevolg van binnenlandse luchtemissies van 17 kankerverwekkende prioritaire stoffen was veel lager (140 DALY’s per jaar).
2. De resultaten van de indicatoren voor milieudruk en milieukwaliteit daarentegen laten een heel ander beeld zien.
–> Kortom, het vergelijken van actuele emissies en milieuconcentraties met beleidsmatig gestelde grenswaarden geeft maar weinig inzicht in mogelijke effecten van
stoffen op de volksgezondheid. Dit is opvallend! want deze grens-waarden zijn juist afgeleid met het doel om de volksgezondheid te beschermen.
–> Dit hoofdstuk laat dus zien hoe de keuze voor de ene of de andere indicator de prioriteitstelling van stoffen beïnvloedt. Bij de evaluatie van emissiereducerende maatregelen zou daarom niet alleen gekeken moeten worden of de doelen voor emissies en milieukwaliteit worden behaald. Mogelijke gezondheidseffecten zouden expliciet in de evaluatie moeten worden meegewogen.In de casestudie in de regio Moerdijk hebben we de invloed van lokale bronnen van luchtverontreinging (fijn stof) vergeleken met elkaar: industrie, wegverkeer,
spoorwegvervoer en scheepvaart.
–> Wat blijkt?
Wegverkeer blijkt de belangrijkste lokale bron te zijn voor sterfte ten gevolge van primair fijn stof (PM2.5), terwijl de invloed van industrieel primair fijn stof een factor 3 lager wordt geschat.
–> Bovendien blijkt dat de inschatting van de effecten op gezondheid van industriële en verkeersgerelateerde luchtverontreiniging afwijkt van hoe deze risico’s worden gepercipieerd. De gepercipieerde risico’s van industriële luchtverontreiniging blijken groter dan die van verkeersgerelateerde luchtverontreiniging.Mijn volledige proefschrift is te downloaden via de volgende link:
http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/2066/112940/1/112940.pdf
van Loes Geelen—————————————————————————–